Op visite bij... Bert de Proost Afdrukken
 

bert-mini-webAls kapelmeester van Die Edelweisskapelle Bergeijk is Bert de Proost één van de bekendste personen in de Nederlandse blaaskapellenwereld. Vrijwel altijd gehuld in een Oostenrijkse outfit, zowel privé als bij de kapel, is Bert altijd te herkennen. Deze markante persoonlijkheid is wellicht tevens de ‘langstzittende’ kapelmeester van Nederland, want sinds 1961 heeft hij de muzikale leiding in handen van Die Edelweisskapelle. Aan stoppen of het iets rustiger aan doen denkt hij absoluut niet. Integendeel. Bert heeft daar een eigen mening over, onderbouwd met prima argumenten. In 2003 verloren Bert en zijn vrouw Riny hun zoon Ernst. In dit interview vertelt Bert o.a. hoe hij met dit verlies is omgegaan en welke impact dit nog steeds heeft. Bert de Proost: een hartelijke persoonlijkheid die nooit opgeeft.


Waar ben je geboren en wanneer?

Op 24 februari 1943 ben ik, onder de rook van de bierbrouwerij van Dommelen, op deze wereld gekomen. Mijn jeugd heb ik daar doorgebracht. Toen wij trouwden zijn we in het ouderlijk huis van Riny gaan wonen in de Nieuwstraat te Bergeijk".
Hoe is jouw gezinssituatie?

“Ik ben in 1967 getrouwd met Riny. Samen hebben we twee kinderen gekregen, Ernst en Wendy en inmiddels zijn er drie kleinkinderen. In 2005 ben ik met vervroegd pensioen gegaan, waardoor ik natuurlijk iets meer tijd heb gekregen voor mijn gezin”.

Hoe was jij als tiener te omschrijven?

“Ons gezin had zeven kinderen. Vijf jongens en twee meisjes. Ik was de tweede. Het was een typisch arbeidersgezin; mijn vader werkte als fabrieksarbeider bij de Willem II sigarenfabriek.

Zelf was ik een rustige jongen, geen haantje de voorste. In Dommelen waren diverse buurten en die werden wel eens tegen elkaar uit gespeeld, kwajongensstreken. Op een dag ben ik door een van die buurten gevangen genomen, op een veld met hoog gras. Eentje hield mij vast en de anderen stoken een vuur aan, rondom mij. Op het laatste moment liet mijn belager mij los en rende hij weg. Uiteraard moest ook ik snel wegrennen om te ontsnappen aan het vuur. Toen heb ik het toch wel eventjes benauwd gehad! Je bent trouwens de eerste aan wie ik dit verhaal vertel, want thuis heb ik het nooit verteld!

Op 10-jarige leeftijd ben ik lid geworden van de harmonie U.N.A. uit Valkenswaard  Eerst kreeg ik een paar jaar notenleer, inclusief zingen en ‘maat zwaaien’. Een vriendje van me was destijds bij de harmonie en zo ben ik erin gerold. Achteraf gezien ben ik heel erg blij dat ik destijds moest zingen en ‘maat zwaaien’, want uiteindelijk heeft dat er toch voor gezorgd dat ik bij Die Edelweisskapelle de muzikale leiding op me kon nemen.

Toen ik een jaar of dertien was vormden mij broer Guust en een vriend van ons, klarinettist Nico, een orkestje. We noemden ons ‘Alguni’, hetgeen telkens de eerste twee letters van onze namen was: Albert, Guust en Nico. Mijn broer sloeg op de wasketel waarover plastik werd gespannen en zo zijn drumstel creëerde , en ik speelde net als Nico klarinet. Dat zal zo rond 1956/1957 zijn geweest. Ons orkestje was het enige orkest in Dommelen en her en der mochten we af en toe spelen. Op een bepaald moment kwamen er nog wat mensen bij en zo is de basis gelegd voor Die Edelweisskapelle. Tijdens de ‘Oud en Nieuw’ periode van 1960/1961 zijn we met vijf muzikanten als blaasorkest ‘De Troubadours’ gestart. Op 1 mei 1961 is de naam officieel veranderd in Die Edelweisskapelle”

Hoe kwamen jullie op het idee om muziek van Ernst Mosch te gaan spelen?

“We waren natuurlijk op zoek naar muziek om te spelen. In die tijd was er nog niet zo heel erg veel. Op een bepaald moment hoorden we Ernst Mosch und seine Original Egerländer Musikanten op de radio. We hadden meteen zoiets van: “Ja, dit is het! Dit is wat wij willen”.

Zelf was ik daar 200% van overtuigd. Wat we hoorden van Ernst Mosch was compleet nieuw. Het was geen boerenblaaskapel, geen joeks, het was prachtige muziek gespeeld door een blaaskapel. Kortom, wij gingen die muziek spelen. Omdat we echter met z’n vijven waren klonk het voor geen meter. De bezetting was simpelweg niet in orde. Met de pen corrigeerde ik links en rechts enkele partijen om er toch nog iets speelbaars van te maken met zijn vijven.Ik was namelijk tot kapelmeester gebombardeerd omdat ik de oudste was. Dat wilde ik niet. Ik wilde kapelmeester zijn, maar niet omdat ik de oudste was.  Enkele andere kapelleden vonden dat aanvankelijk een beetje vreemd. Zij hadden een opleiding aan de muziekschool gehad en ik niet. Zij hadden zoiets van: “Jij weet het niet en toch wil je nu gaan zeggen hoe en wat?” Dat probleem was echter snel opgelost want het klonk wél meteen een stuk beter! Vervolgens is er heel snel een trompet bijgekomen en een bariton voor de tegenmelodie. Ikzelf speelde toen nog klarinet, maar wilde trombone gaan spelen, want dat instrument ontbrak nog. In die tijd zat ik op de textielschool in Eindhoven. Ik was namelijk opgeleid tot wever, dus iemand die van garen stof moest maken.  Elke dag als ik naar school ging kwam ik langs muziekzaak Van Leest op het Wilhelminaplein, en daar stond een trombone in de etalage. De verkoper zag mij dikwijls staan, maar ik ging niet naar binnen, want ik had er het geld niet voor. Toen ik uiteindelijk wat spaarcentjes had verzameld stapte ik naar binnen. De verkoper wist meteen waarvoor ik kwam. Hij had mij immers al zo vaak naar die trombone zien kijken. Hij noemde het bedrag en toen was de trombone van mij. Een geweldig gevoel. Toen bleek dat er geen koffer bij was, en dat ik voor die koffer ook nog moest betalen. Ik zei: “Daar heb ik geen geld voor, ik neem hem zo wel mee, op de fiets”. Nou, die verkoper heeft mij toen een oude koffer gratis meegegeven. Hij vroeg ook nog of ik in de winkel eventjes iets wilde spelen, maar dat durfde ik niet! Ik had nog nooit op een trombone gespeeld en was bij wijze van spreken zo bang als een wezel dat ik voor schut zou staan. En dus wachtte ik totdat ik thuis was. Zo blij als een klein kind fietste ik met die koffer terug van Eindhoven naar Dommelen. Thuis aangekomen wilde ik natuurlijk meteen gaan oefenen. Ik pak de trombone uit de koffer, mondstuk erop en ik wil beginnen. Ik kreeg echter geen beweging in de schuif. Alles zat hartstikke vast. Hij schoof niet! Ik natuurlijk kwaad, teleurgesteld noem maar op. Behoorlijk ruw heb ik toen die trombone weer in de koffer gegooid. En toen gebeurde het: de veiligheidspal van de schuif ging los…. Niks aan de hand dus, maar ja, wist ik veel! Probleem opgelost. Toen ben ik in de eerste positie natuurtonen gaan blazen, tweede positie enzovoorts. Binnen een maand speelde ik de Bayerische Polka, helemaal zelf geleerd. Bij de kapel speelde ik afwisselend bariton en trombone, afhankelijk van wat het meest nodig was”.


die-edelweisskapelle-web

































Hoe ben je uiteindelijk toch als docent in de muziekwereld terechtgekomen? Je had immers geen professionele opleiding.

“Dat klopt. Ik had er wel talent voor en heb mijzelf veel geleerd, maar op papier had ik helemaal niets. Maar toen gebeurde het! Met Die Edelweisskapelle namen we deel aan het concours in Den Dungen.Daar zat o.a.Heinz Friesen in de jury en Dick Koster, toenmalig dirigent van de harmonie van Bergeijk.  Behoorlijk grote namen in de muziekwereld. In die tijd, tweede helft jaren zeventig, was er een groot tekort aan docenten voor muziekscholen. De directeur van de muziekschool in Bladel kampte ook met dat probleem. Heinz Friesen en Dick Koster hebben hem toen geadviseerd contact met mij op te nemen, omdat zij wel het idee hadden dat ik voldoende kwaliteiten had om als muziekdocent te kunnen functioneren. Kortom, hij belde inderdaad om te vragen of ik eens kon komen praten. Samen met Riny ben ik er naartoe gegaan. Dat vond ik prettiger, want met z’n tweeën sta je veel sterker en kun je toch beter onthouden wat er allemaal verteld wordt.

Om een lang verhaal kort te maken: zonder papieren ben ik daarna als muziekdocent aan de slag kunnen gaan!

Dat ging een paar jaar goed. Ik functioneerde naar volle tevredenheid, maar… opeens kwamen er nieuwe richtlijnen van het ministerie. Docenten zonder papieren moesten het veld ruimen. Nou, dat was nogal wat! Ik zou mijn droombaan gaan verliezen en dat wilde ik natuurlijk niet. Diezelfde dag besloot ik te gaan studeren, mijn diploma te behalen. Ik belde met de inmiddels gepensioneerde adjunct-directeur van het conservatorium in Utrecht, de heer Jan Matter, die in Eersel woonde, hier vlakbij. Ik wilde namelijk aan het conservatorium gaan  studeren. Ik mocht op gesprek komen. Met een stapeltje eigen geschreven composities, bedoeld voor Die Edelweisskapelle, bezocht ik Jan Matter. Hij nam het stapeltje door en vond dat mijn composities bijzonder goed in elkaar zaten. Hij noemde allerlei termen en omschrijvingen van wat ik blijkbaar allemaal intuïtief gedaan had, maar ik begreep niks van al die professionele benamingen. Hij besloot mij drie maanden onder zijn hoede te nemen, om op die manier een weg te vinden om mij toegang te verschaffen tot een conservatoriumopleiding. Na twee maanden kregen we groen licht. Echter, ik moest de conservatoriumopleiding binnen één jaar afronden. Een onmogelijke opgave, maar ja, Jan Matter zei: “Begin maar gewoon, doe je examens, we zien wel”.

Naast trombone moest ik piano spelen, iets wat ik nog nooit gedaan had,en alle theoretische vakken. Jan Matter zei ”Alles één voor één”. Hoe hard ik ook studeerde, de tijd was simpelweg te kort, want ik moest overdag ook nog werken natuurlijk. Enfin, uiteindelijk is het gelukt dat ik uitstel kreeg en dat ik aan de dagopleiding van het conservatorium mocht gaan deelnemen, zonder mijn baan te hoeven opgeven. Ik kreeg daar vijf jaar de tijd voor. Vervolgens heb ik na drie jaar, in 1982, mijn diploma aan het conservatorium in den Haag behaald, met als hoofdvak trombone. Ik was toen 39” .
Er kwam dus pas op latere leeftijd rust in jouw leven?

“Kijkend naar mijn carrière zeer zeker. Het voordeel van ouder worden is trouwens dat je veel meer inzicht krijgt, visie. In mijn jonge jaren was ik erg fel. Soms te fel denk ik nu. Mijn felheid van vroeger was feitelijk een stukje onkunde. Onkunde waarmee ik toch moest omgaan, een weg vinden om een oplossing te creëren. Naarmate je ouder wordt en meer mensenkennis krijgt, merk je dat je doelstellingen ook op andere manieren kunt bereiken, vaak simpelweg door vooral rustig te blijven, zaken rustig overdenken. Vroeger was ik echter behoorlijk snel kwaad en daardoor wel eens te fel in mijn reacties.

Nog steeds ben ik, denk ik, wel eens onbegrijpelijk voor andere mensen. Ja, dat is nog steeds zo. Ik zal een voorbeeld geven. Als een muzikant van onze kapel zegt dat ie ermee wil stoppen, vanwege werk, thuis, kinderen enzovoorts, dan zeg ik: “Nou nee, stoppen vind ik erg jammer. Als jij ervoor zorgt dat je tijdens uitvoeringen aanwezig bent, dan hoef je tijdens repetities niet meer te komen en kun je die tijd gebruiken voor je werk enzovoorts”.

Met die aanpak ben ik erin geslaagd heel veel muzikanten te behouden voor onze kapel. De andere muzikanten vonden mijn aanpak vreemd, want tja, wat moet je met een muzikant die niet naar de repetities komt? Dat werkt toch niet? Als reactie gaf ik dan dat het als kapelmeester mijn verantwoordelijkheid was om een goede uitvoering te kunnen garanderen.

Vervolgens bleek het in de praktijk heel vaak enorm mee te vallen met die verwachte drukte en afwezigheid, en kwamen die muzikanten toch 1 of 2 keer per maand naar de repetitie. Na drie jaar was de drukte voorbij en kwamen ze weer elke week. Probleem opgelost en tegelijkertijd een goede muzikant behouden. Er zijn nu leden bij de kapel die tientallen jaren geleden wilden stoppen, maar nu nog steeds met veel plezier lid zijn.

Het is gewoon belangrijk om bepaalde problemen iets ruimer in de tijd te zien. Niet meteen overhaaste beslissingen nemen. Rustig blijven!”


bert-de-proost-1-web
































Hoe denk je dat de wereld eruit zal zien in 2025?

“De veranderingen gaan zo snel dat de wereld er in 2025 waarschijnlijk heel anders zal uitzien. Nu, in 2008, staan we op de rem, maar dat is maar tijdelijk. En technologische ontwikkelingen gaan sowieso door. Het fileprobleem zal dan wel opgelost zijn, omdat er andere vormen van vervoer komen. Ze kunnen nu auto’s al elektronisch hun weg laten vervolgen, dus ik verwacht dat auto’s tegen die tijd ‘vanzelf’ kunnen rijden, waardoor er minder aanrijdingen zijn, een betere doorstroming enzovoorts.  Ook zullen er wellicht twee autowegen boven elkaar liggen, en treinen die dankzij luchtdruk niets meer aanraken, maar wellicht zwevend hun werk doen.. In science fiction films zag je vroeger dingen die je voor onmogelijk hield. En toch is daarvan al veel in de praktijk gebracht!”

Waar kun je je kwaad over maken?

“Ik zal een voorbeeld noemen uit de muziekwereld. Als je met een kapel op concours gaat, dan zijn de muzikanten uiteraard gespannen. Er moet immers een grote prestatie geleverd worden. Ik ben van mening dat tijdens zo’n concours alle randvoorwaarden 100% in orde moeten zijn, zodat de muzikanten zich op hun gemak voelen, aan niets hoeven te denken. Toch heb ik geregeld gemerkt dat organisaties daar, naar mijn mening, niet goed mee omgaan. Dan zijn er bijvoorbeeld voorschriften hoe je als kapel op het podium moet plaatsnemen. Dat vind ik belachelijk. Daar kan ik me dan enorm kwaad over maken. Het gaat er juist om dat zo’n kapel een warm gevoel krijgt van de organisatie. Dat er eenheid is, rust. Alleen dan kunnen muzikanten de beste prestaties leveren. In de sport is dat toch ook zo, of niet soms?

Wat dat betreft kan er links en rechts in de muziekwereld nog wel een stap voorwaarts gemaakt worden”.

Wat is jouw favoriete vakantieland?

“Oostenrijk. Al meer dan 30 jaar reizen we elk jaar naar Kötschach-Mauten. Ook daarbij speelt muziek een grote rol. Het mooie aan Oostenrijkers is dat zij ergens voor staan. Als ik denk aan een Oostenrijker, dan kan ik me daar iets bij voorstellen. Een Oostenrijker straalt gemoedsrust uit, heeft waardering en respect voor andere mensen, komt op voor zijn eigen cultuur en land. Bij een Nederlander heb ik dat niet.zo sterk. Ik zou niet meer weten hoe ik een Nederlander zou moeten omschrijven. Nederland kon veel mooier zijn, maar we dreigen een kopie van Amerika te worden. De Oostenrijkers zeggen: “Ons land is zus en zo, daar staan we voor, daar gaan we voor en pas daarna komen al die andere dingen”. En ik vind dat toch wel een juiste instelling. Alleen zo kun je je eigen cultuur behouden, je eigen karakter. Ik zou bijna willen zeggen: Nederland verwatert!

Het mooie van Nederland is dat wij perfecte imitators zijn. Heel veel cultuur hebben wij overgenomen van andere culturen en we weten precies waar het over gaat. Zo ook de blaaskapellenmuziek. De ons omringende landen zijn enorm jaloers op Nederland omdat wij zo enorm goed zijn in blaasmuziek. Op de Nederlandse conservatoria zitten bijvoorbeeld tal van Oostenrijkers die hier moderne muziek willen studeren.

Als we in Oostenrijk zijn speel ik mee in diverse andere blaaskapellen. De eerste keer dat we er kwamen verstond ik geen woord Duits. Toen men in de gaten had dat ik muziek maakte vroeg men mij mee te doen bij de dorpskapel, want er was net een concert. Ik kreeg een uniform en zat tussen de andere muzikanten, alsof ik een van hen was. Alles werd met handen en voeten duidelijk gemaakt, maar het klikte meteen. Ik was meteen ingeburgerd!

Een pot bier, spelen, roken, lachen. Dat was het!

Op een dag kreeg ik de vraag of ik een Oostenrijkse kapel wilde helpen. Ze hadden geen dirigent meer. Er was wel iemand die een goed hart voor de vereniging had,en een hele goede muzikant was maar nog nooit  de dirigeerstok gehanteerd had.Of ik daar een oplossing voor had. Ik heb die goede man toen zes weken lang elke dag tussen 7.30u en 9.00u les gegeven, totdat ie voldoende kennis had om die kapel te leiden. Dat vond ik mooi om mee te maken”.

Bert, als je nog eens 25 zou kunnen zijn, wat dan?

“Ik zou weer in de muziek gaan, maar dan nog veel eerder. Het liefst had ik al tussen mijn 17e en 23e op het conservatorium gezeten, zodat ik mij daarna nog in andere deelgebieden van de muziek had kunnen bekwamen, breder, dieper. Nu is het op latere leeftijd toch allemaal iets geforceerd gegaan. Dat vind ik nog steeds jammer. Dan had ik wellicht ook beroepsmuzikant in een of ander orkest kunnen worden. Ik heb echter geen spijt van hoe mijn leven verlopen is, dat niet”.

Wat zijn de kenmerken van een goede kapelmeester?

“Een goede kapelmeester moet heel veel blijven luisteren, muziek draaien. Dat wordt wel eens vergeten! Je moet intens en diepgaand naar muziek luisteren, zodat je ook daadwerkelijk de kern beleeft. Daar gaat het immers om! Je kunt vervolgens verschillende wegen inslaan, maar de weg die je inslaat moet je overtuigend kunnen overbrengen naar de kapel. Jouw eigen wil moet je kunnen overbrengen. En… het derde oor moet blijven meeluisteren. Daarmee bedoel ik dat je blaaskapellenmuziek van binnenuit moet beleven, met hart en ziel. Alleen dan kun je als kapelmeester de ware essentie van deze muziek overbrengen op de muzikanten. Simpelweg omdat je gelooft in de schoonheid van deze muziek, en die schoonheid ook voelt. Het karakter van de Egerländermuziek, of welk genre dan ook, moet je precies kennen. Als Oostenrijkers een mars spelen, in het ritme geeft 4 achtstes aan dan zijn dit geen gelijkmatige achtstes Nee, dan wordt die tweede noot met een hobbeltje gespeeld. Dat gebeurt vanuit de natuur, dat zit erin bij die Oostenrijkers. Een muzikant met oren neemt dat meteen over. Feitelijk hoef je dat nog niet eens uitgebreid uit te leggen. Dát is gevoel voor muziek hebben!

In Nederland wordt moderne muziek gedoceerd. En zijn er ook mensen die vervolgens die moderne muziek beoordelen. Ik heb dat wel eens gehoord en echt, ik vond het tenenkrullend. Docenten moderne muziek moeten daadwerkelijk daarvoor opgeleid zijn vind ik, weten wat het inhoudt. Je kunt dat er niet zomaar eventjes bijdoen. Lichte moderne muziek, dat moet je afkaderen. Een man als Charlie Green,een oud collega van mij (Amerikaan) die kan dat, die voelt dat. Echt, voor de opleiding moderne muziek heb je gespecialiseerde mensen nodig.

En zo geldt dat ook voor blaaskapellenmuziek. Je kunt een harmonie- of fanfaredirigent niet zomaar voor een blaaskapel zetten. Dat kan wel, maar of het mooi gaat klinken, dat is een ander verhaal”.

bert-en-riny-web










































Bert en Riny de Proost

Bert, wat is de schaduwzijde van het verenigingsleven, kijkend naar blaaskapellen?

“De schaduwzijde is dat leden tegenwoordig minder verbonden zijn met hun kapel. Dat is weliswaar begrijpelijk, maar desalniettemin blijft het een nadeel. Vroeger kwam men altijd naar de repetitie. Als nu een kleinkind jarig is, dan kan het zijn dat men niet komt. Vroeger werd de verjaardag of tijdstip verander. Dat gebeurt nu niet meer. Als kapelmeester moet ik dat accepteren, punt. Ik hoef ook niet te weten waarom men niet kan komen. Als iemand van Die Edelweisskapelle zegt dat ie niet kan komen, dan is dat voor mij voldoende. Ik ga er namelijk vanuit dat ie een heel goede reden heeft. Daar vertrouw ik op. Vroeger kon je tijdens een repetitie een voorstel voor een optreden doen en kon er meteen een besluit genomen worden. Nu duurt het minimaal een week voordat het duidelijk is wie wel kan, en wie niet. Dat is gewoon zo”.

In 2008 ben jij 65 geworden. Voor jou was dat absoluut geen reden om te stoppen als kapelmeester of om aan te geven dat je binnen een paar jaar het stokje wilt overdragen aan iemand anders. Er zijn ook kapelmeesters die dat op die leeftijd wel doen. Hoe ga jij daarmee om?

“Zolang als ik persoonlijk nog een plus kan toevoegen aan Die Edelweisskapelle, en gezond ben, wil ik dat absoluut blijven doen. Ik ben er zelfs van overtuigd dat ik dat moet doen, zolang het kan. Uiteraard wel voor de volle 100%, met de juiste overtuiging en motivatie. Uitdagingen aanpakken en doorgaan, aan de top blijven. Zolang wij geen echte terugval meemaken, een goede bezetting kunnen vasthouden, een goede muziekcommissie hebben, zolang wil ik blijven. Leeftijd speelt daarbij geen enkele rol. Of ik dan 65 ben of 73, dat maakt voor mij niet uit. En kijk eens naar zo iemand als Willem Nijholt, die is van 1934 en nog altijd zo vitaal als wat! Prachtig wat die man nog allemaal doet. Die straalt een enorme kracht uit. Als je met muziek bezig bent, dan voel je geen leeftijd. Tenminste, zo ervaar ik het. Ik vind het héérlijk om ermee bezig te zijn, geweldig. Als kapelmeester wil ik constant bezig zijn. Met elkaar, en soms tegen elkaar. Bepaalde zaken afwegen en dan weer verder.

Natuurlijk, als je ouder wordt komen er lichamelijke gebreken, maar wie zichzelf goed onderhoudt en niet verwaarloost, die kan heel lang een actief leven blijven leiden. Iets meer oefenen dan voorheen, en dan lukt het toch wel”.

In 2003 is jullie zoon Ernst bij een ongeluk overleden. Mag ik de vraag stellen wat dat met jullie, met jou gedaan heeft? Hoe ben je daarmee omgegaan, voor zover dat überhaupt mogelijk is, want waarschijnlijk is niets erger dan het verliezen van je eigen kind.

“Toen we het bericht kregen, vanuit Suriname, dat hij was overleden bij een ongeluk, toen stortte onze wereld in. Alles stond stil. Je weet het gewoon niet meer. Het is alsof de grond onder je voeten wegzakt. Je kunt het niet terugdraaien, je kunt niets. Machteloos. Verdriet, vermengd met boosheid omdat we niet wisten wat er echt gebeurd was. Je bent kapot van verdriet en dan krijg je te horen dat je zoveel moet betalen, anders zou Ernsth niet teruggevlogen worden naar Nederland. Al dat soort formaliteiten. Dat kun je er dan echt niet bij hebben.

Na die eerste periode waarin je het eigenlijk niet kunt bevatten ga je nadenken. Waarom hij? Waarom moet dit zo zijn? Ernst was ontzettend talentvol. Hij kon fantastisch tekenen, schilderen. Bij de kapel deed hij het geluid. En goed. Als iemand een solo speelde, en bij een bepaalde noot te weinig lucht had om ‘m helemaal uit te spelen, dan zette Ernst er bliksemsnel een knalgalm op, die hij precies op tijd weer wegdraaide.

Ikzelf ben erdoor veranderd. Aanvankelijk wilde ik blijven werken tot mijn 65e, maar toen Ernst was overleden vond ik het met 62 ook genoeg. Na zijn overlijden ben ik blijven doorwerken. Omdat ik les gaf op diverse dependances zat ik geregeld in de auto. Dan was ik even alleen en konden de tranen ongeremd vloeien. Op die manier kon ik tijdens mijn werk toch even mijn verdriet op een bepaalde manier verwerken, zodat ik daarna toch weer les kon geven. Moeilijk, maar het ging.

Zowel voor Riny als mij was de muziek één van de belangrijkste motoren om door te kunnen blijven gaan. Als ik voor Die Edelweisskapelle kon staan, was het mogelijk om er eventjes niet aan te denken. Dan kon ik het verdriet, bij wijze van spreken, heel even parkeren.

Nee, ik ben niet anders tegen de wereld gaan aankijken, maar ben me wel gaan realiseren dat je niets te zeggen hebt.

Na zijn overlijden merkte ik dat het voor mij niet meer mogelijk was om langere tijd zelf muziek te maken. Maximaal een half uurtje. En nog niet eens elke dag. Als ik vandaag een half uur trombone speel, kan ik dat morgen waarschijnlijk niet. Waarom, ik weet het niet, maar toch is het zo.

Riny en ik hebben ons voorgenomen om, ondanks dit blijvende verdriet, midden in het leven te blijven staan. Misschien nog wel méér dan voorheen. Wegkwijnen heeft geen zin, want daar krijgen we Ernst niet mee terug. Eigenlijk was er destijds voor mij maar één remedie: mezelf bijna verzuipen in mijn werk, de muziek. Nu probeer ik zoveel mensen plezier te laten beleven aan muziek. Daarmee houd ik niet alleen voor een deel natuurlijk onze kapel overeind, maar ook mezelf”.

Dit maakt, als ik het goed begrijp, meteen heel erg duidelijk waarom het voor jou zo belangrijk is om te blijven doorgaan, ongeacht je leeftijd.

“Om mezelf overeind te kunnen houden moet ik doorgaan. Maar het is niet alleen ‘moeten’. Ik wil het ook graag, dolgraag. Mensen blij maken met muziek is fantastisch. Als je een bepaald talent hebt, laat het dan zien aan je medemens. Ik zou bijna willen zeggen: “Profileer het als een Gods geschenk”.

Verschillende van mijn collega’s op de muziekschool vonden de blaaskapellenmuziek maar niks. Ik heb ze dikwijls uitgenodigd om eens te komen luisteren, of om eens een keertje mee te doen. Geen eentje is de uitdaging aangegaan. Klassieke muziek vonden ze goed, blaaskapellenmuziek niet. Dat heb ik altijd jammer gevonden”.

Je staat bekend om je outfit, altijd een Oostenrijkse outfit. Krijg je wel eens reacties?

“Het lijkt misschien altijd hetzelfde wat ik draag, maar in deze stijl is er natuurlijk ontzettend veel te krijgen. Ik vind het leuk om deze kleding te dragen. Het past bij mij. En dat het opvalt, ach!!! En natuurlijk zijn er ook wel eens mensen die er de draak mee steken, maar daar moet ik dan maar tegen kunnen. Ik heb het immers zelf gewild, toch? Als sommige mensen mij zo ziet lopen, dan hoor ik wel eens dat ze “Jodelahiti” roepen, maar ach, ik stoor me daar niet aan”.

Heb je nog bepaalde wensen?

“Niet echt. Ik ben ooit onderscheiden in naam van de Koningin en ook de CISM, een overkoepelend orgaan voor de blaaskapellenmuziek, heeft mij onderscheiden. Ik ben er pas later achter gekomen dat het niet zo eenvoudig is om zo’n onderscheiding te krijgen. Er zijn niet veel mensen die door de selectie heenkomen. En toen dacht ik bij mezelf, verdomme, Bert, dat is jou toch gelukt!”

Vernieuwing van de blaaskapellenwereld. Hoe denk jij daarover?

 “Vernieuwing is absoluut nodig. Jij en ik zitten samen met Theo van Hamond, Cor Boers, Leo van Beuningen en Jef Bakermans in de Stuurgroep Blaaskapellen van de KNFM, regio Zuid, en we zijn erin geslaagd onze groep handen en voeten te geven. We staan duidelijk op de kaart en hebben inmiddels diverse initiatieven uitgewerkt en uitgevoerd. Denk aan de Workshop Geluidstechniek, een festival met deskundigenbeoordeling (zonder punten) en natuurlijk de concertserie Karaktervolle Klanken. De grote winst van dat initiatief is dat het een terugkerend karakter heeft en dankzij de hoge kwaliteit nieuw of ander publiek aantrekt.

Het doet me goed als ik hoor dat onze ideeën ook in andere delen van het land gewaardeerd worden. Daar kunnen nationaal en zelfs internationaal de vruchten van geplukt worden.

Met vernieuwing is het belangrijk om niet te snel op te geven. Twee stappen voorwaarts, één stap achterwaarts. Zo gaat dat, maar als je opgeeft, tja, dan ligt het helemaal stil, gebeurt er niets meer. Je moet altijd een positieve instelling hebben en nooit iemand negatief benaderen!”

 

Voor meer informatie over Die Edelweisskapelle Bergeijk kunt u terecht op de website www.dieedelweisskapelle.nl

    

 

 
< Vorige   Volgende >
Advertisement
Advertisement
Advertisement
Advertisement

Aanmelden Nieuwsbrief




AdvertisementAdvertisementAdvertisement

Een abonnement op de gedrukte versie van Ruud's Music Magazine / De Muziekvriend  kost € 12,95 per jaar ( 4 nummers ). U kunt zich aanmelden via Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken

Home
internet_banner_wmc
seezo