| Op visite bij... José van de Koevering |
|
|
José van de Koevering, kapelmeester, trompettist en zanger bij de Drie Donken Blaaskapel uit het Brabantse Den Dungen, is een selfmade man. In stilte gevormd. De kapel behoort tot de allerbeste van Nederland (en ver daarbuiten) en daar heeft José zonder meer een grote steen aan bijgedragen. Hij is een perfectionist, uiterst integer, uiterst consequent, recht door zee en tegelijkertijd ook nederig. Als Nederlander is hij ervan overtuigd, naar zijn eigen mening, dat hij nooit en te nimmer het muzikale niveau van een Tsjech kan evenaren. Niet qua gevoel, niet qua technische speelwijze en ook niet als eventuele componist.
De meest muzikale Tsjechen beschikken volgens José bij wijze van spreken over een ‘extra muzikaal gen’, dat zij hebben meegekregen van hun voorvaderen. En dat hebben Nederlanders nu eenmaal niet. Punt. Misschien doet José zichzelf met deze gedachte tekort, maar…. dat is nu eenmaal zijn mening. En daar blijft hij bij. En wat hij zegt, dat vindt ie ook. Toen, nu, straks. Als er één woord is dat zijn levenswijze typeert, dan is dat wel het woord consequent. Zowel privé, tijdens zijn werk als in de muziek komt zijn streven naar perfectie, rust en harmonie consequent naar voren. José zegt zelf het vermoeden te hebben dat hij wellicht wel eens een klein beetje ‘nors’ of ‘afstandelijk’ kan overkomen, maar wie hem beter kent, weet dat er achter het soms strenge uiterlijk een uiterst vriendelijk en weloverwogen karakter schuilt. Een man die geniet van zijn gezin, een man die blaasmuziek fantastisch vindt en er uren en uren mee bezig kan zijn om het eindresultaat nóg een niveau hoger te laten worden. José van de Koevering. Een man die, bij wijze van spreken, elk jaar cum laude slaagt voor de ISO-keuring, de auditor (examinator) op een onvolkomenheid betrapt en van zichzelf vindt: “Het kan nóg beter”. Geluidsfragment: Z Rukavu gespeeld door de Drie Donken Blaaskapel José, wanneer ben je geboren en waar? “Ik ben geboren op 15 november 1952, in Den Dungen, gemeente Sint Michielsgestel, pakweg een kilometer van de plek waar we nu zijn. Geboren en getogen in Den Dungen en altijd hier gebleven. Eind jaren tachtig zijn we naar deze woning verhuisd. Met nog één broer en één zus was ik de jongste van drie kinderen. Mijn opa, die al heel vroeg weduwnaar was geworden, woonde bij mijn ouders, samen met nog een oom die altijd vrijgezel is gebleven. Op die manier vormden we destijds toch nog een behoorlijk gezin”. Hoe is jullie gezinssituatie nu, 2009?“ Rina en ik zijn getrouwd in 1974. Onze kinderen, Jos en Linda, zijn geboren in 1977 en 1979. In 2008 is Linda bevallen van ons eerste kleinkind. Van Rina en mij mogen er nog meer volgen, en liefst natuurlijk ook bij Jos en zijn vrouw. Dat zouden we erg fijn vinden.Rina en ik kennen elkaar vanaf dat we 15 waren. Toen hadden we al verkering. “Snotkinkels” werden we destijds genoemd”. Jullie zijn jong getrouwd. Jijzelf was 22… “Dat klopt. In deze tijd is dat jong, maar toen viel dat wel mee. We hebben daar bewust voor gekozen mede omdat het ernaar uitzag dat ik mijn militaire dienstplicht moest gaan vervullen. En als ik getrouwd was, dan kreeg ik een hogere vergoeding, omdat ik dan kostwinner was. Je moest dan wel minimaal voor de wet getrouwd zijn. Uiteindelijk kreeg ik vrijstelling en hoefde ik helemaal niet in dienst, maar Rina en ik zijn toch getrouwd”. Hoe was jij in je jeugd te omschrijven? “Ik was een zeer zelfstandige jongen. Geen heilig boontje, maar ook zeker niet druk. Mijn moeder zei altijd tegen anderen dat ik nooit iemand anders nodig had. Toen ik iets ouder was, was ik geregeld bezig met mijn bromfiets, wat crossen, sleutelen aan auto’s. Dat soort dingen. Liefst dingen die met techniek te maken hadden. Een student was ik zeker niet, integendeel, ik had een hekel aan leren. Dat kon ik wel, maar ik werkte liever met mijn handen. Dat is altijd zo gebleven. Als opleiding heb ik de LTS gevolgd, de metaalkant en later nog motoren en constructielassen. We hadden thuis een werkplaats met een smeerput. Met allerlei klusjes, ook auto’s uitdeuken en spuiten, verdiende ik mijn eerste centjes. Als de mensen in het dorp hun tractor of auto gerepareerd moesten hebben, dan kwamen ze naar onze familie. Dat was in de tijd dat de tractoren hun intrede deden. Daarvoor werden voor die werkzaamheden vooral paarden ingezet”. Hoe is je carrière verlopen? “Bij een klein bedrijf in Den Dungen ben ik als dieselmonteur begonnen, in loondienst. Dat heb ik een jaar of vijf gedaan. Daarna ben ik als onderhoudsmonteur bij een kippenslachterij aan de slag gegaan. Op die manier ben ik in de wereld van de koeltechniek gekomen, waarin ik nu nog steeds actief ben. Destijds heb ik met een collega een eigen bedrijf in koudetechniek opgericht. Denk daarbij aan airco’s en koelinstallaties bij het midden- en kleinbedrijf, verzorgingstehuizen enzovoorts. Sinds 1995 ben ik geheel zelfstandig. Daar wil ik mee doorgaan tot pakweg 2011, zodat Rina en ik vervolgens alle tijd hebben om datgene te doen wat we 100% zelf willen. In de beginjaren hadden we nog eigen personeel, maar dat eiste zoveel aandacht dat ik er uiteindelijk toe over ben gegaan om zonder vast personeel te werken en mankracht ben gaan inhuren. Dat ervaar ik als prettiger. Rina is ook actief voor het bedrijf, bijvoorbeeld met de administratie of het brengen van spullen als dat nodig is”. ![]() Je stopt er dus mee vlak voordat je zestig wordt, iets in die buurt. Een bewuste keuze. Welke beweegredenen spelen daarbij een rol?“ Er is méér in het leven dan werken. Rina en ik hebben ook nu een fantastisch leven, niets te klagen, absoluut niet, maar door onze activiteiten in de koudetechniek kunnen wij elk moment, 7 dagen per week, 24 uur per dag, een telefoontje krijgen dat er een storing opgelost moet worden. Een kapotte koelcel moet zo snel mogelijk weer draaien, anders ontstaat er schade. Als eigenaar van het bedrijf draag ik altijd de eindverantwoordelijkheid en moet ik dus zelf gaan of iemand inschakelen. Dat is altijd al zo geweest. Dat zorgt voor een bepaalde gebondenheid. Die verplichting wil ik liefst niet meer hebben als ik zo rond de zestig ben. Dan willen Rina en ik op een andere manier van het leven gaan genieten, dus zonder de gedachte dat er een bericht kan binnenkomen van een storingsmelding”. Hoe denk dat je dat de wereld er in 2025 zal uitzien? Je bent dan 73. “Als het zo blijft doorgaan zoals nu, dan denk ik dat we tegen die tijd heel erg veel zullen moeten doen om een en ander weer in orde te krijgen. Daarbij denk ik met name aan de wijze hoe we met elkaar omgaan. Het strafrecht vind ik persoonlijk te mild. De doodstraf hoeft ook voor mij niet opnieuw ingevoerd te worden, maar ik vind de straffen te laag. Misdadigers komen te gemakkelijk weg met hun daden en dat is niet goed voor onze maatschappij. De gevolgen worden steeds duidelijker zichtbaar en voelbaar. Jongeren hebben veel te weinig respect voor ouderen. Wie staat er nou nog op voor een oudere in een bus of trein? Volgens mij maar zeer weinigen. Met het milieu zal het uiteindelijk nog wel meevallen denk ik. Nederland loopt voorop met maatregelen om vervuiling tegen te gaan. Binnen de koudetechniek zijn de eisen zeer hoog. Spullen die hier al jarenlang verboden zijn zou ik in België moeiteloos kunnen kopen. Om nog maar te zwijgen wat er bijvoorbeeld in China mogelijk is. Dat zijn zo’n grote verschillen, dat is eigenlijk niet te geloven”. Volg je het nieuws? Lees je kranten? “Ik moet toegeven dat ik niet of nauwelijks kranten lees. Het nieuws volg ik wel, maar niet elke dag. Mijn interesse is dan zeer breed. Reizen naar de mars of naar de maan, dat spreekt me wel aan, of hoe het gaat met de vissen in de zee die last hebben van de vervuiling. Al met al moet ik echter zeggen dat ik niet zo’n nieuwsvolger ben. De muziek houdt mij veel meer bezig!” Waar kun je je aan storen? “Aan onrecht. En als mensen om dingen heen praten. Daar kan ik me enorm aan ergeren. Ja is ja en nee is nee. Ik hoor het liefst meteen hoe het zit. Ik ben heel erg direct. Vroeger was ik nog veel directer. Als ik iets vind, dan zeg ik dat, maar in de loop der tijd heb ik wel geleerd om mijn mening diplomatieker te verpakken. Dezelfde mening, maar dan anders geformuleerd. Dat directe heb ik van mijn vader. Die zei altijd meteen waar het op stond, gaf gelijk zijn mening. En als er iets gebeurd is waar ik me aan erger, dan zal ik dat niet zo snel vergeten. Dat vind ik een minder goede eigenschap van mezelf, maar dat is nu eenmaal zo. Ik blijf dat soort dingen onthouden”. ![]() Is een glas dat voor de helft gevuld is in jouw ogen halfvol of halfleeg? Met andere woorden: ben jij iemand die eerst de positieve dingen ziet, of toch eerst de minder positieve? “Tja, dan ben ik toch iemand die zal zeggen dat het glas halfleeg is. Ik ben niet iemand die ervan uitgaat dat het allemaal wel zal goed komen. Wat dat betreft ben ik geneigd om het allereerst te denken aan de negatieve aspecten”. Zijn Rina en jij tegenpolen? “Dat denk ik wel. Een aantal zaken laat ik volledig aan Rina over. Bijvoorbeeld mijn kleding. Zij weet mijn maten en haalt alle kleding voor mij. Zelden of nooit ga ik mee naar een kledingzaak. Dat vind ik verschrikkelijk en het interesseert me ook niet. Rina bepaalt het type kleding en ook de kleur. Ze legt het zelfs voor me klaar als we in het weekend ergens naartoe gaan. Haar keuze vind ik altijd goed”. We kennen jou als iemand die, tijdens concerten, keurig in het pak in de zaal zit. Niet opvallend aan de bar, maar uiterst ingetogen en rustig. Een beetje sjiek zelfs, maar dat is dus te danken aan Rina? “Ikzelf draag het liefst een spijkerbroek en een gemakkelijke trui, zodat ik altijd een beetje kan ‘rommelen’ zonder dat ik meteen bang hoef te zijn voor mijn kleding. En inderdaad, tijdens een concert of festival zul je mij niet zo snel aan de bar zien hangen. Ik ga met name voor de muziek”. Je lijkt me niet iemand die van lange vergaderingen houdt. “Klopt. Bij de kapel zijn er natuurlijk vergaderingen, maar er zijn ook dingen die ik liever zelf beslis. Het nut van een bestuur is er echter overduidelijk. Zelf ben ik secretaris bij de Drie Donken. Het voordeel daarvan ik dat bepaalde dingen zelf kan oppakken en ook op een gedegen manier kan afhandelen. Dan hoef ik er niet meer aan te denken en kan ik weer verder”. Enerzijds bespeur ik een duidelijke drang naar perfectie in je leven, met een duidelijke indeling c.q. afbakening, laten we zeggen een zakelijke instelling, terwijl je anderzijds een enorm gevoelsmens bent die zich, weliswaar in stilte, helemaal kan verliezen in de wereld van de blaasmuziek. Heb je een bepaalde verklaring voor enerzijds dat ‘harde’ en anderzijds dat ‘zachte’? “De liefde die ik voor de muziek heb, heb ik ook voor mijn werk en wel in die zin dat met name de uitdaging om een probleem op te lossen mij boeit. Als het me lukt om iets op te lossen, dan kan ik daarvan genieten. Het gaat dan niet zozeer om de techniek zelf, maar om datgene wat die techniek uiteindelijk teweeg brengt, de werking ervan. In de muziek is dat nog duidelijker, omdat je muziek kunt horen. Het gaat niet zozeer om die noten, maar om de wijze hoe die noten gespeeld worden. Goede muziek zie ik als een mix van emotie, liefde en gevoel. Een ‘gewoon’ muziekfestival, ‘zomaar’ georganiseerd, zonder een bepaald thema, vind ik persoonlijk minder interessant dan bijvoorbeeld een privé-concert voor iemand of een kerstconcert. Die concerten hebben voor mij iets extra’s omdat er ‘iets’ centraal staat dat je bij de muziek kunt betrekken. Dat thema heeft dan een positief effect op de wijze, op het gevoel hoe er muziek gemaakt wordt. Dat geeft het geheel een extra dimensie, een extra gevoelswaarde. Net zoals een etentje met iemand die je lief hebt anders is als een etentje met iemand die je nog niet zo goed kent. Doelgerichte concerten, die spreken mij aan. Je ziet dan mensen huilen omdat ze het zo mooi vinden. Dat is voor mij het ultieme wat je met blaasmuziek kunt bereiken, namelijk dat mensen tot in het diepst van hun hart geraakt worden door de emotionele kracht van muziek. Die kracht kun je overigens ook niet uitleggen. Die kun je wel horen en voelen, maar uitleggen, nee, dat is bijna onmogelijk”. Hoe doe je dat dan tijdens repetities? Hoe leg jij de muzikanten uit hoe iets kan klinken? “Door het voor te zingen. Op die manier kan ik voordoen hoe de aanzet van de noten dient te gebeuren, de lengte en de afbouw. Geen enkele maat is hetzelfde. Een kwartnoot kun je op 150.000manieren spelen. Dat maakt deze muziek ook zo mooi. Echt, ik kan er uren mee bezig zijn”. De Drie Donken Blaaskapel wordt internationaal gewaardeerd om de fantastische speelwijze en interpretatie van de Tsjechische blaasmuziek. Volgens jou kan een Nederlandse kapel echter nooit zo mooi musiceren als een kapel met Tsjechen. Waarom niet?“ Omdat Nederlanders niet in Tsjechië geboren zijn. Wij zijn geen Tsjechen en dus zullen we er nooit in slagen datzelfde gevoel in de muziek te leggen zoals zij dat doen. Nooit. Dit zit volgens mij in hun genen, daar ben ik vast van overtuigd. Ik zou bijna durven te zeggen dat ze er een extra gen voor hebben. Natuurlijk, niet alle Tsjechen hebben dat, alleen de meest getalenteerde Tsjechen, maar zij hebben iets wat wij Nederlanders niet kunnen leren en dus kunnen we hun speelwijze nooit evenaren. We kunnen onze eigen speelwijze wel verfijnen, verbeteren en proberen zo dicht mogelijk in de buurt te komen, maar zelfs professionele Nederlandse musici blijven dan achter bij de Tsjechen.En datzelfde geldt voor het componeren van typische Tsjechische blaasmuziek. Al die oude Tsjechische componisten hebben allemaal hun eigen extra gen waarmee ze in staat zijn die mooie muziek op papier te zetten. En dat geldt overigens ook voor de jonge Tsjechische componisten, want zijn hebben dat, van generatie op generatie, meegekregen. Muzikaliteit is erfelijk”. Je hebt zelf ook Tsjechische composities geschreven? “Ja. Daar hebben we met de Drie Donken Blaaskapel ook wel eens aan geoefend, maar die composities zullen nooit uitgevoerd worden. Dat wil ik niet. Ze zijn misschien wel goed volgens anderen, maar in mijn ogen lang niet goed genoeg”. Doe jij jezelf daarmee niet tekort? Ik bedoel: de Drie Donken Blaaskapel wordt alom gewaardeerd en jouw kapelmeesterschap is onomstreden. “Nee, voor mijn eigen gevoel doe ik mijzelf niet tekort. Door composities van échte Tsjechen te spelen is de kwaliteit nog hoger. En dus kan ik daar méér van genieten. Als perfectionist wil ik alleen het beste op de pupitre leggen. De consequentie daarvan is dat ik mijn eigen composities niet zal uitvoeren. Wat ik wél doe is in originele partijen een extra stem inschrijven, bijvoorbeeld een melodische trombone. Dat zie ik als een zinvolle toevoeging en die wordt dan ook uitgevoerd”. Je beschikt over 6.000 Tsjechische muziekwerken, deels opgeborgen in archiefkasten en deels digitaal opgeslagen in PDF-vorm. Feitelijk een enorm stuk Tsjechische muziekgeschiedenis. Heb je met dit archief plannen, voor de toekomst? Wat gaat ermee gebeuren als jij het ooit niet meer kunt beheren? “Daar heb ik eerlijk gezegd nog niet zo over nagedacht. Tenminste, daar zijn geen afspraken over gemaakt. Als er niets geregeld wordt, dan zal het een stoffig archief worden, misschien zelfs uiteindelijk bij het oud papier belanden. Dat zou ik dan toch jammer vinden. Ik ben er inmiddels tientallen jaren mee bezig. Sommige handgeschreven partijen zijn zo slecht leesbaar dat ik ze opnieuw heb ingevoerd via de computer, zodat ik daarna leesbare partijen kan afdrukken. Ik heb zelfs meerdere stukken die in Tsjechië niet meer verkrijgbaar zijn, waarvan men zelfs niet weet dat deze composities ooit bestaan hebben of gespeeld werden. Er zijn hier al Tsjechische componisten geweest die mij gevraagd hebben of zij van mijn kopie een nieuw origineel mochten hebben. Heel apart. Tja, wat moet er ooit mee gebeuren? Ik zou het in elk geval fijn vinden als de muziek beschikbaar blijft, dat het in goede handen komt, op een goede wijze beheerd en bewaakt wordt. Blaasorkesten die op een hoog niveau muziek maken en dat doen in de geest van Tsjechische componisten en kapelmeesters, die mogen van mij best uit mijn archief putten om op die manier deze volksmuziek levendig te houden. Aan de andere kant zou ik absoluut niet willen dat mijn archief in handen komt van dweilorkesten. Dat is absoluut niet de bedoeling. Kortom, er dient zeer zorgvuldig mee omgegaan te worden. De Drie Donken Blaaskapel mag sowieso beschikken over dit archief, natuurlijk, maar liefst nog in een breder verband. Het zou zonde zijn als er niets of weinig meer mee gedaan zou worden”. Welke kleine dingetjes kunnen jou uiteindelijk toch kwaad maken? “Ik ben niet zo snel kwaad, maar als het eenmaal zo ver is, dan laat het me niet meer los. Binnen de muziekwereld word ik wel eens kwaad als bijvoorbeeld de geluidsinstallatie niet functioneert. Tijdens een optreden is er natuurlijk een bepaalde spanning bij mij aanwezig. Als er dan een storing is bij de installatie, dan is dat niet goed voor mijn humeur. Ook als mensen nonchalant zijn en dat patroon blijven voortzetten kan ik mij daar behoorlijk over opwinden. Datzelfde geldt voor mensen die te laat komen, al moet ik zeggen dat dit bij de Drie Donken Blaaskapel zelden gebeurt. De repetitie begint om 20.00u, maar meestal kan ik al vijf of zelfs tien minuten eerder beginnen. Maar nogmaals, als ik me ergens aan stoor, dan ben ik, zoals ik het zelf noem, een olifant. Die vergeet ook niets”. Heeft een overkoepelende organisatie voor de blaaskapellenwereld zin? Is dat zinvol? “Allereerst moet ik eerlijk bekennen dat ik jarenlang iemand ben geweest die ideeën in deze richting altijd heeft afgehouden. Ik ben er een voorstander van om dingen zelf op de rails te zetten. Een kapel moet zichzelf kunnen bedruipen, in alle opzichten. En dat kan ook. Ik ben een doe-mens en geen organisatie-mens. Aan de andere kant heb ik, ook binnen onze eigen kapel, gemerkt dat een goed bestuur absoluut noodzakelijk is. We hebben een tijdje een minder goed functionerend bestuur gehad, of zelfs geen bestuur, en dat is dan toch wel erg lastig. Kortom, inmiddels loop ik al zo lang mee in deze wereld dat ik toch wel het nut kan inzien van een overkoepelende organisatie die meedenkt. Zo’n organisatie kan zinvol zijn om een bepaalde weg te plaveien, voorbereidende werkzaamheden te doen. De Stuurgroep Blaaskapellen, die nu enkele jaren actief is, vind ik daarom toch, hoewel ik aanvankelijk zeer sceptisch was, een uitstekend initiatief”. Zie jij jezelf, misschien over een jaar of vijf, lezingen geven aan bestuurders en kapelmeesters uit de blaaskapellenwereld, om op die manier jouw eigen ervaringen te kunnen ‘verstrooien’? “Nee, dat zie ik mijzelf nog niet meteen doen. Daar ben ik de persoon niet voor. Binnen het vakgebied van koudetechniek, mijn beroep dus, acht ik dat echter niet uitgesloten. En dat zou ik twintig jaar geleden echt voor onmogelijk hebben gehouden. In mijn vakgebied een stukje consultancy bieden, jawel, daar heb ik wel eens over nagedacht. Binnen de blaasmuziek ben ik echter nog niet zover, al is het wel zo dat er geregeld mensen zijn die mij om mijn mening vragen. Ze weten dat datgene wat ik vertel hout snijdt. Als iets zwart is zal ik nooit zeggen dat het wit is”. Als je nog eens 25 zou zijn, zou je dan bepaalde dingen anders aanpakken of doen? “Er zijn niet veel dingen waarvan ik spijt heb. Nee, meer dan 90% zou ik hetzelfde doen. Vroeger kon ik wel eens koppig zijn als ik het ergens niet mee eens was. Dan was er met mij weinig discussie mogelijk, was ik zeer snel zwijgzaam. Dat is nu anders. Rina heeft me daarin bijgestuurd. Voor haar ben ik natuurlijk een open boek”. Wat is jullie favoriete vakantieland? “Ruud, wat denk je? We gaan het liefst naar Tsjechië, en af en toe naar Oostenrijk. Voor ons geen zon, zee, strandvakantie. Zelfs voor twee dagen muziek reizen we naar Tsjechië. Zelfs voor één concert van vier uur, bijvoorbeeld in Hodonin, als we daar echt zin in hebben. Dat is volgens mij mooier dan een hele week Turkije. We reizen meestal ’s nachts. Dat schiet lekker op”. Wat spreekt jullie aan in Tsjechië? “Het hartelijke dat we daar keer op keer opnieuw aantreffen. We komen er nu al zo’n 30 jaar en elke keer worden we met open armen ontvangen, ongelooflijk. Natuurlijk, het land is in de afgelopen jaren veranderd, maar de aard en het karakter van de Tsjechen blijven geweldig. Voor de buitenstaander lijken Tsjechen stug, maar niets is minder waar. Wij hebben er in elk geval zeer vele vrienden en kennissen. We spreken geen Tsjechisch, maar met een paar woordjes en wat Duits kom je een heel eind. En na een paar glazen Slivovitsj gaat het zelfs nóg beter! ”Wat zijn de kenmerken van een goede kapelmeester. Aan welke basiseisen dient hij, of zij, te voldoen? “Een goede kapelmeester dient goede oren te hebben en het hart op de juiste plek te hebben. Zowel bij de theoretische als praktische benadering dien je uit te gaan van het gevoel. Het gevoel zoals de Tsjechen dat als uitgangspunt nemen bij alles wat ze op papier zetten of tot uiting brengen via hun instrument. De noten alleen maken nog niet dat er sprake is van muziek. Je kunt noten spelen, muziek maken of mooie muziek brengen. Voor mij is alleen het laatste bespreekbaar”. Welke waarde hecht jij aan een blaaskapellenconcours? “De prestatie tijdens een blaaskapellenconcours is een momentopname die gerelateerd is aan een aantal zaken. Belangrijk om te weten is om de kapel het op eigen kracht doet, of met een of meerdere ingehuurde muzikanten. In dat laatste geval ontstaat er een vertekend beeld en kun je dus niet meer spreken over de feitelijke kwaliteit van de kapel zelf. Daarnaast is het belangrijk om te weten hoe de kapel, bij een concoursdeelname, tot een bepaald niveau is gekomen. Je hebt twee mogelijkheden. Of een kapel repeteert een half jaar lang eindeloos aan drie nummers en weet deze uiteindelijk op een prima manier neer te zetten of, tweede mogelijkheid, de kapel had dat eindniveau al min of meer voordat zij begon te repeteren aan die drie nummers. Je begrijpt al waar ik naartoe wil. Als je een half jaar lang moet repeteren aan drie nummers om die drie nummers op een bepaald niveau te kunnen spelen, dan geldt dat niveau waarschijnlijk niet voor het volledige repertoire van de kapel. In dat geval is die concoursuitslag, in mijn beleving, weinig zeggend. Dan is het inderdaad slechts een momentopname. Een periode van pakweg twintig minuten. Wat is in dat geval de werkelijke waarde van de uitslag?Voor mij persoonlijk hoeft de Drie Donken Blaaskapel niet deel te nemen aan een concours. Als de leden dat echter willen, dan heb ik er geen moeite mee om eraan deel te nemen. Maar…. als ik de keuze zou hebben tussen deelname aan een concours in Nederland en een mogelijkheid om in Tsjechië 30 minuten op te treden tijdens een Musikantenbal, bijvoorbeeld in Hodonin, dan gaat mijn voorkeur absoluut uit naar dat Musikantenbal. Ik zal uitleggen waarom. Als je in Tsjechië kunt spelen, speel je in het land van herkomst van deze muziek. Dan speel je in het Mekka van de blaasmuziek. Dat is voor mij persoonlijk 100x zo waardevol dan spelen in een Nederlandse zaal voor een jury, waarbij de sfeer duidelijk anders is als in Tsjechië. Kortom, ik heb geen enkel bezwaar tegen een concours of concoursdeelname, maar persoonlijk denk ik dat je met andere evenementen een veel grotere toegevoegde waarde kunt bereiken. Musiceren in Tsjechië, al is het maar twintig minuten, is het hoogst haalbare. Dat geeft zo’n prachtig gevoel, dat is veel mooier, en daarom ook belangrijker, dan welke titel of puntenaantal dan ook. Zo zie ik dat, en niet anders. Denk daar maar eens over na”. De meest mooie muziekwerken zijn wel eens te moeilijk voor Nederlandse kapellen. Wat moet je dan doen als kapelmeester? “Het antwoord is simpel: niet spelen. Een nummer spelen dat de muzikanten niet beheersen is niet slim en bovendien voegt het niets toe, want het nummer komt niet uit de verf. Natuurlijk, het is heel verleidelijk om bepaalde, hele mooie en virtuoze nummers in het repertoire op te nemen, maar mijn advies is om dat niet te doen. Je kunt dan veel beter je energie in een iets minder moeilijk nummer steken en dat wel zo goed als mogelijk uitvoeren”. Sinds 1994 ben je kapelmeester van de Drie Donken Blaaskapel. Ik neem niet aan dat je van plan bent om ermee te stoppen. “Nee, zeker niet. Ik ben voor 150% gemotiveerd. Als ooit de dag komt dat ik het stokje neerleg, dan zou ik er wel de voorkeur aan geven dat een ander lid van de kapel de muzikale leiding overneemt. Op die manier is het namelijk gemakkelijker om de speelstijl te continueren”. Tot slot, waaraan denk jij bij het woord vernieuwing, gerelateerd aan de wereld van de blaaskapellen? “Dan denk ik allereerst aan het feit dat er te weinig aanwas is. Dat vind ik erg jammer. Wijzelf zoeken al geruime tijd een 1e trompettist / signaaltrompettist en daarnaast ook een trombonist (melodisch), maar tot nu toe is dat niet gelukt. Er zijn simpelweg geen kandidaten. De harmonie- en fanfarewereld heeft best wel een goede instroom van jonge mensen, maar daar plukken blaaskapellen vrijwel geen vruchten van”. Je zou toch zeggen dat jullie kapel een aanzuigende werking zou hebben, gezien de muzikale kwaliteit en de goede naam... “Misschien schrikt dat zelfs af. Ik heb wel eens het idee dat muzikanten een beetje bang zijn om zich bij ons te melden. Ik zou die angst graag willen wegnemen want daar is geen reden voor. Wij zijn geen beroepsmuzikanten. Ook wij zijn gewone amateurs. Natuurlijk, muzikanten die zich melden hebben een bepaalde basiskwaliteit nodig, maar het is ook weer niet zo dat meteen alles foutloos of met de juiste interpretatie moeten kunnen spelen. Wat dat betreft ben ik zelfs bereid om bijles te geven of extra groepsrepetities. Dat heb ik er graag voor over. Een trompettist of trombonist die geïnteresseerd is in onze kapel zou ik dus heel graag willen uitnodigen om eens naar Den Dungen te komen. Ik kijk misschien een beetje streng, maar dat valt in de praktijk best wel mee, ha ha!” Meer info over de Drie Donken Blaaskapel: www.driedonkenblaaskapel.nl of tel. 073-5941103.
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|

José van de Koevering, kapelmeester, trompettist en zanger bij de Drie Donken Blaaskapel uit het Brabantse Den Dungen, is een selfmade man. In stilte gevormd. De kapel behoort tot de allerbeste van Nederland (en ver daarbuiten) en daar heeft José zonder meer een grote steen aan bijgedragen. Hij is een perfectionist, uiterst integer, uiterst consequent, recht door zee en tegelijkertijd ook nederig.













