Op visite bij... Ton Keizers Afdrukken

ton-keizers-webSinds 1987 kapelmeester van Blaaskapel Freunde Echo uit Overloon

Ton Keizers is een echte verenigingsman. Geboren en getogen in het Brabantse Overloon en waarschijnlijk zal hij er ook nooit meer weggaan. Hij is zowel lid van de fanfare als de blaaskapel. Hoewel hij niet direct prestatiegericht is, is hij erin geslaagd Blaaskapel Freunde Echo te laten uitgroeien tot een alom gerespecteerde topkapel, met een hoofdzakelijk authentiek Moravisch repertoire. Zijn rustige aard zorgt ervoor dat hij mensen aan elkaar kan binden. Groepsbelang gaat bij Ton voor eigenbelang en dat is misschien wel de belangrijkste succesfactor van de kapel. De vriendschap in muziek staat voorop.

 

Waar en wanneer ben je geboren?

“Ik ben geboren op 29 juni 1958. Later heeft men mij verteld dat ik geboren ben in Venray, nota bene in Limburg, in het ziekenhuis. Een paar dagen later mochten mijn moeder en ik gelukkig weer terug naar Brabant, naar Overloon. Daarna ben ik altijd in Overloon blijven wonen. Ik heb nog twee jongere broers en een jongere zus”.

Hoe is je huidige gezinssituatie?
“In 2000 ben ik voor de 2e keer getrouwd. Mijn huidige vrouw, Wilma, heb ik leren kennen in 1999. Uit mijn eerste huwelijk heb ik een dochter, Pauline (1993), en daarna hebben Wilma en ik nog twee dochters gekregen. In 2001 Lotte en in 2003 Fenne. Wilma heb ik leren kennen toen een dweilorkest uit Overloon op zoek was naar een instructeur. Ze vond het toen vreemd dat ik, als kapelmeester van een “echte” kapel, les wilde geven aan een dweilorkest. Voor mij is een vereniging echter niet minder waard als er op een ander niveau gemusiceerd wordt. Het gaat immers om het verenigingskarakter. Dat staat volledig los van het muzikale niveau".
Hoe was je als tiener, puber?
“Rustig, vrij serieus. Op stap gaan, naar de disco, ja, dat beviel me toch wel. Op mijn 16e was ik zo zelfstandig dat ik met de bromfiets naar Valkenburg reed om daar vakantie te vieren. Ik kan me nog herinneren dat ik in die tijd, zo rond 1974, niet één bepaald idool of zo had. Er was bij mij geen hysterie rondom een of andere popband of artiest. Dat heb ik nooit gehad. Het verenigingsleven heeft me altijd aangesproken. Voetbalclub, fanfare, tennisclub, scouting, ik was erbij. Studeren was niet mijn grootste hobby, en nog steeds niet. Wat dat betreft ben ik meer een man van de praktijk. Ervaring, routine, dingen proberen, nadoen. Mijn omgeving heeft me gevormd. Mijn ouders hadden alles voor me over, steunden me overal bij, en dat terwijl we het niet altijd gemakkelijk hadden omdat mijn vader op zijn 45e al als hartpatiënt thuis kwam te zitten. We kwamen echter nooit iets tekort. Na de MAVO ben ik in de psychiatrie/verpleging gegaan. Ik dacht dat daar mijn taak lag. Het begeleiden van mensen met een verstandelijke handicap, ouderen die lijden aan dementie. Voor het hoofdvak psychologie haalde ik echter een onvoldoende. De praktijk was in orde, maar de theorie niet. Ik draaide nachtdiensten, gaf mensen injecties enzovoorts. Zoiets zou trouwens tegenwoordig niet meer kunnen. Ik weet het nog goed, ik was 17 jaar en 7 maanden. Toen moest ik ermee stoppen, vanwege die onvoldoende. Kort daarna ben ik in militaire dienst gegaan. De toenmalige dienstplicht. Daar heb ik een hele mooie tijd gehad.

Bij Blaaskapel Freunde Echo was ik toen al lid, want ik er was er, vanuit de fanfare, op mijn 15e bijgekomen. Na de dienstplicht kon het me eigenlijk niet zoveel schelen waar ik zou gaan werken, als ik maar iets te doen had. Ik had bij wijze van spreken nog nooit een schroevendraaier vastgehouden maar ik ben toen, in 1979, toch begonnen bij een bedrijf in Venray dat handelde in rolluiken en zonweringen. In het begin was ik voornamelijk actief in de productie en montage. Er werkten ongeveer 10 mensen. Nu in 2009, 30 jaar later, werk ik nog steeds voor dat bedrijf, met veel plezier. Ik heb een allround functie, van productiemedewerker en chef werkplaats tot kantoormedewerker. Veelal van acht tot vijf en ik zeg heel eerlijk, dat is ook wat ik wil. Dat ben ik elke dag mooi op tijd thuis en heb ik alle tijd voor mijn gezin en de verenigingen. Het is prima zo”.

 ton-keizers-web2













































Wat is belangrijk in het leven?

“Mijn kinderen en mijn vrouw. En daarna het sociale gebeuren, het gemeenschapsleven in ons dorp. Dat maakt het leven voor mij waardevol. Toen ik jong was had ik dat eerlijk gezegd niet zo in de gaten, maar toen ik ouder werd realiseerde ik mij steeds meer dat het fantastisch is om een rustig en leuk gezin te hebben, met voldoende tijd voor een mooie hobby. Een beter welzijn kun je eigenlijk niet hebben”.

Waar kun je je aan ergeren? Erger je je geregeld of valt dat wel mee?

“Jawel, ik erger mij toch wel eens. Meestal heeft dat te maken met de instelling van iemand. Of de instelling die mensen naar elkaar toe hebben. Dat kan dichtbij zijn, maar ook verder weg. Dat bijvoorbeeld bepaalde mensen in een land een andere groep mensen niet wil accepteren, om welke reden dan ook. Dat men niet openstaat voor elkaar. Of dat nou met werk of religie te maken heeft, dat maakt niet uit. Als ik mij aan moet passen verwacht ik ook dat de ander zich aanpast. Dat heeft niets met eigenwijsheid of gelijk hebben te maken, nee, dat heeft puur te maken met de vraag of je respect voor elkaar hebt.

Ik erger me ook wel eens als ik erachter kom dat mensen bepaalde dingen niet doen, terwijl ik van mening ben dat het de normaalste zaak is dat het wél gebeurt. Dat vind ik trouwens een minder goede eigenschap van mezelf”.

Volg je het nieuws?

“De krant lees ik 5 dagen in de week, maar in het weekend bewust niet. Dan wil ik de sores van de wereld even niet weten. Dan wil ik tijd aan mijn gezin besteden. De Nederlandse politiek volg ik niet zo. Wat dat betreft vind ik de gemeentepolitiek belangrijker, want dat staat veel dichterbij. Het valt mij wel eens op dat mensen die een bepaalde functie bekleden, zich opeens anders gaan gedragen. Meestal niet ten goede”.

Is het glas bij jou halfvol of halfleeg?

“Bij mij is het glas meestal leeg! Het is veel te lekker om te laten staan. Nee, van nature ben ik weliswaar een serieus, maar ook een optimistisch iemand. En als er een probleem is, dan wil ik daar zelf een oplossing voor bedenken. Voor sommige dingen zijn helaas geen oplossingen. Dan denk ik wel eens: “Waarom is daar geen oplossing voor? Waarom kan ik daar zelf ook geen oplossing voor bedenken?” Dat houdt me dan bezig. Maar pessimisme, nee. Ik ben iemand die vooruit kijkt”.

Hoe zal de wereld eruit zien in 2025?

“Dat lijkt nog heel ver weg. Alles gaat steeds sneller, afstanden worden korter. Niet alles verandert ten goede. Ik heb het idee dat sommige lieden over de ruggen van anderen misbruik van de situatie maken. Tja, ik hoop dat het in 2025 goed is, maar op dit moment lijkt het alsof je nog geen vijf jaar vooruit kunt kijken.

Dan ben ik in elk geval geen kapelmeester meer van Blaaskapel Freunde Echo. Ik heb er wel eens over nagedacht om op mijn 50e te stoppen, maar nu word ik al 51. Als ik het gevoel heb dat een ander meer voor de kapel kan doen, dan draag ik het graag over. Dan wil ik wel graag blijven meeblazen. Piet Vloet was de eerste kapelmeester van Freunde Echo en ik de tweede. Vijf jaar na de oprichting van de kapel ben ik lid geworden. Heb dus feitelijk alles meegemaakt. De hele groei, en dat is een waardevolle ervaring.

Overigens, voor mij is een 2e hoornist net zo belangrijk als een kapelmeester. Iedereen heeft zijn taak. Het fijne van kapelmeester zijn is wel dat ik mijn eigen verzoekjes kan doen, zonder overleg! Maar ehh... vertel dat maar niet verder!”

ton-keizers-web3
































Welke eigenschappen moet een goede kapelmeester minimaal hebben?

“Natuurlijk moet er een bepaalde basiskennis op het gebied van blaaskapellenmuziek aanwezig zijn. Ook dient hij een en ander te weten van de diverse instrumenten in het algemeen. Een luisterend oor is niet verkeerd en sociaal gezien dient een kapelmeester toch een bindende factor te zijn. Heel veel communicatie loopt immers via hem. De muzikanten zien de kapelmeester toch als een soort leider, waar ze iets van verwachten. Zelf ben ik een meespelende kapelmeester. Overigens, ik ben niet de kapelmeester zoals Ernst Mosch die ooit was, die met veel bravoure voor het orkest stond. Ik doe het liever iets bescheidener. Showdirigenten, nee, dat vind ik wat ballerig. En zo’n stokje vasthouden is ook niets voor mij, hoewel ik dat wel ooit heb gedaan. Ik gebruik liever mijn handen om te vertellen welke expressie ik verwacht. Als muzikaal leider moet je ook niet te nadrukkelijk aanwezig zijn, anders worden de muzikanten zenuwachtig, en dat komt de muziek niet ten goede.

Het muzikale leiderschap zie ik niet als een last. Je kunt daarbij niet altijd iedereen te vriend houden, maar wel als vrienden met elkaar omgaan!

In Vught heb ik ooit een opleiding tot assistent-dirigent gevolgd. In een jaar tijd heb ik toen heel veel bijgeleerd. Af en toe kon ik die lessen in de praktijk brengen door in Overloon voor de fanfare te staan. Dat heb ik als uiterst interessant ervaren. Leuk.

Nog niet zo lang geleden was er met de fanfare een concertreis gepland. Toen we in de bus stapten bleek de dirigent ziek te zijn. Ik heb toen in de bus de directiepartijen bestudeerd en daarna twee concerten gedirigeerd, zonder repetitie vooraf. Ik voelde gewoon dat het kon lukken, en zo was het ook. Natuurlijk, het grote werk was vooraf al door de echte dirigent gedaan, maar ik vond het geweldig om te doen. Meestal leid ik bij de fanfare de optredens die buiten plaatsvinden. Als ze me nodig hebben, dan ben ik er”.

Heeft niet elke kapelmeester iets dictatoriaals?

“Ik zeg wel eens met een knipoog: “Inspraak is goed, als het maar niet uitmondt in een democratie”.

Wat is jullie favoriete vakantieland?

“Eigenlijk Nederland. We gaan meestal niet zo ver weg, en liefst met de caravan. Het voordeel van Nederland is dat je je overal verstaanbaar kunt maken. Qua klimaat zou ik liever naar Zuid-Frankrijk of Spanje gaan, maar ach, zo slecht is het hier ook weer niet. We zijn in elk geval geen mensen die met het vliegtuig gaan. Natuurlijk gaan we ook graag naar Tsjechië, waar we in 2008 met de kapel zijn geweest, maar eigenlijk zijn de kinderen daar nog wat te jong voor”.

Zijn Wilma en jij tegenpolen?

“Nee, eigenlijk niet. We hebben allebei al heel wat levenservaring, zijn levensgenieters, komen graag onder de mensen en houden van blaasmuziek en het verenigingsleven. We zijn allebei zorgzaam en treden niet zo graag op de voorgrond. Ik denk dat je elkaar ook kunt aanvullen met gelijkenissen”.

Als je nog eens 25 zou kunnen zijn, wat zou je dan doen?

“Dan zou ik bepaalde keuzes wellicht wat bewuster maken. In principe zou ik dan wellicht proberen om meer ambities te ontwikkelen, met name op het gebied van muziek en mijn werk, maar ja, ik weet dat ik geen studiebol ben, dus die gedachte is niet echt reëel. Ik heb destijds met het idee rondgelopen om naar het conservatorium te gaan en ben daar ook mee bezig geweest, samen met Freek Schorer, maar toen ik begreep wat ik er allemaal voor moest doen, en vooral ook laten, toen had ik er toch niet meer zo’n zin in.

Als je ouder wordt leer je dat je op tijd “nee” moet zeggen. Als je jong bent wil je zoveel mogelijk doen, maar dat verandert. Je gaat dingen relativeren, je laat dingen los. En iets loslaten betekent niet automatisch dat je iets meteen gaat verwaarlozen. Daar zit een verschil in. In een mensenleven komen op gezette tijden kansen voorbij. Die moet je grijpen. Niet aarzelen”.

Hoe sta je tegenover vernieuwing in de blaasmuziek?

“Ik heb het idee dat die vernieuwing min of meer vanzelf komt. Dat heeft zijn tijd nodig, maar het komt wel naar ons toe. De vraag is veel meer: hoe pak je het op. In de tijd gezien zie je heel duidelijk vernieuwing. Denk aan Ernst Mosch, vernieuwend. Daarna Moravanka van Jan Slabak, vernieuwend. Nu heb je weer Vlado Kumpan, vernieuwend. Er zijn in de loop der tijd twee stijlen ontstaan, laten we zeggen Böhmisch en Moravisch, die hun eigen karakter hebben, maar dezelfde roots hebben, hetzelfde basisstramien. De basis van de muziek blijft hetzelfde en het publiek zal dat min of meer moeten accepteren. Je kunt niet eindeloos nieuwe stijlen blijven toevoegen. Die vernieuwing heeft dus bepaalde grenzen”.

Böhmisch of Moravisch?

“Daar kan ik niet zomaar een antwoord op geven. Ik ben opgegroeid met Böhmische muziek en dus kan ik die stijl niet verloochenen. Daar houd ik immers nog steeds van. Dat ik nu een voorkeur heb voor Moravische muziek heeft diverse oorzaken. Dat komt door de muziek zelf en de bezetting van onze kapel. We zijn een club met 14 muzikanten. Dat is te weinig om een Böhmische kapel mee overeind te houden. Het in stand houden van de kapel zelf vind ik overigens niet het allerbelangrijkste. Het in stand houden van die club als vriendenclub, dat is wat telt. Voor het overige is die overgang van Böhmisch naar Moravisch nu eenmaal zo gegroeid, niks mis mee. Tijdens het afscheidstournee van Ernst Mosch heb ik echt genoten van de individuele kwaliteiten van de muzikanten. Het is en blijft mooie muziek. Ik verdiep me er nu niet meer zo in, alhoewel ik dat eigenlijk toch wel zou willen. Ik heb ook wel eens trombone gespeeld bij een theater band. Voorstellingen verzorgen in schouwburgen en zo, dat is ook echt kicken. Muziek maken met de fanfare vind ik ook mooi. Nee, een echt specifieke voorkeur heb ik eigenlijk niet. Muziek kan in meerdere vormen heel mooi zijn”.

Heeft het verenigingsleven voor jou ook een schaduwzijde?

“Af en toe kan het wel eens invloed uitoefenen op je persoonlijk welzijn, je eigen gedachten, in remmende zin, maar als je het verenigingsleven neemt zoals het is, dan is het bovenal een verrijking van je leven. Voor mij zeer zeker. Je moet in het verenigingsleven wel ervoor zorgen dat je tijdig taken overdraagt. En dat is iets anders dan je onttrekken aan verantwoordelijkheden! Er zijn nu al muzikanten in onze kapel die muzikaal gezien méér in hun mars hebben dan ik. Die kunnen wellicht in de toekomst veel meer voor de kapel betekenen dan ik. Daar moet je dus iets mee doen. Niet zelf persé blijven zitten, maar samen het beste eruit halen. Daar moet je ook samen over praten, het aandurven om dit soort facetten te spiegelen, vergelijkingen te maken. Ik zit niet zo vast aan titels of jubilea. Het gaat mij vooral om het gevoel, het verenigingsgevoel. Daarom weet ik ook nu al dat ik over 15 jaar geen dirigent meer ben. Niet omdat ik er geen zin meer in zou hebben, maar omdat het beter is voor de club.

In een vereniging is het soms wel eens lastig om meningen boven tafel te krijgen. Je kunt wel een mail sturen en vragen naar een reactie, maar ja. Dat geldt zelfs al voor eenvoudige vragen, bijvoorbeeld als ik vraag of de muzikanten tevreden zijn over de repertoiresamenstelling van ons optreden in het voorprogramma van Túfaranka op Paaszaterdag. Dan krijg ik maar mondjesmaat reactie. Maar... ondanks dat mensen niet reageren hebben ze meestal wel een mening. En dus moet ik mijn oren op een andere manier te luister leggen om te weten te komen wat men nu eigenlijk wel of niet leuk vindt. Soms zie ik het aan hun gezicht. Dat spreekt meestal boekdelen. Dat spel vind ik dan weer boeiend, want de neuzen in dezelfde richting krijgen, dat is toch mijn belangrijkste doel. Zo houd je de vereniging overeind. Dat is meer een gave dan een kunde. Je kunt die gave wel ontwikkelen, maar als ze er niet is, dan heb je een probleem. Gelukkig staan bij Blaaskapel Freunde Echo de neuzen in dezelfde richting. Van fabrieksarbeider tot directeur, van jong tot iets ouder. Het is gewoon een fantastische club!”

bfe-tsjechie-web 
 
< Vorige   Volgende >
Advertisement
Advertisement
Advertisement
Advertisement

Aanmelden Nieuwsbrief




AdvertisementAdvertisementAdvertisement

Een abonnement op de gedrukte versie van Ruud's Music Magazine / De Muziekvriend  kost € 12,95 per jaar ( 4 nummers ). U kunt zich aanmelden via Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken

Home
internet_banner_wmc
seezo