| Op visite bij... Bert Adams |
|
“Na een optreden van vier uur ben ik ‘zo vaerdig wie ein communiejeske’ !!!” Hij is één van de allerbekendste kapelmeesters van Nederland. Al vanaf 1980 is hij ononderbroken de muzikale leider van één van de populairste kapellen van Nederland: die Original Maaskapelle uit Wessem, oftewel de Maaskapel. De kapel krijgt zoveel aanvragen dat een groot aantal simpelweg afgewezen moet worden. Diverse CD’s zijn al uitgebracht en je hoort meteen aan de sound dat het de Maaskapel is. Een prestatie, want probeer dat maar eens te bereiken! We praten natuurlijk over Bert Adams. De kapelmeester met die zware zangstem, die twee dochters heeft die beide meespelen in de kapel. Nog dit jaar zal er een nieuwe CD verschijnen van De Maaskapel. Een ding wordt tijdens het interview wel duidelijk: Bert is iemand die heel goed nadenkt over de dingen die hij doet! Tja, om uit te groeien tot zo’n geliefde kapel, dat gaat niet zomaar! Bert, wanneer ben je geboren en waar? “Ik ben geboren op 19 maart 1947 in Altweerterheide, gemeente Weert. Na anderhalf jaar zijn mijn ouders weer terug verhuisd naar Hunsel, bij Ittervoort, en daar ben ik altijd blijven wonen. Het huis waarin Tiny en ik nu wonen was vroeger de boerderij, bakkerij, café en winkel van mijn opa. Eigenlijk was het een soort gemeenschapshuis waar de fanfare en andere verenigingen zetelden. Ik was de zoon van ‘Piet van de Bekker’ en mijn vader was de zoon van ‘de Bekker van Hunsel’, die net buiten het dorp een schuur bouwde. Aan deze schuur bouwde mijn vader na de oorlog een huis, en daarin ben ik opgegroeid. Men noemde mij daarom ‘Bert van Piet van Bekker Schuur’. Mijn vader was boer en is overigens nooit bakker geweest, alleen mijn opa. Mijn vader is maar liefst 64 jaar lid geweest van de fanfare van Hunsel. Hij is 76 jaar geworden. Ik heb nog twee zussen. Zelf ben ik de middelste van de drie”. Hoe is je huidige gezinssituatie?“In 1970 ben ik getrouwd met Tiny, uit Wessem. We hebben twee dochters, Maaike en Sandra en inmiddels ook alweer drie kleinkinderen. Twee meisjes, waarvan er eentje sax-alt speelt en een jongen. Die leek aanvankelijk niet zo geïnteresseerd in muziek maar een tijdje terug heb ik hem op een tuba en op een trombone laten spelen, en uiteindelijk wilde hij toch met die trombone aan de slag. En nu krijgt hij dus les van opa en gaat ie naar de muziekschool in Maaseik.
Ik weet nog dat mijn dochters vroeger regelmatig meededen aan solistenconcoursen. Best wel succesvol. Dan hoorde ik de mensen zeggen: “Daar komen die van Adams weer”, alsof ze wilden zeggen dat de kans op een prijs alweer wat kleiner was, ha ha”. “Vrij rustig, jawel. Toen ik een jaar of tien,elf was ben ik al lid geworden van de fanfare van Hunsel. Op mijn 14e mocht ik van mijn vader bij de kapel meespelen en vanaf die tijd ben ik altijd met kapellenmuziek bezig geweest. Sporten deed ik eveneens. Op mijn achttiende werd ik Limburgs kampioen kogelstoten. Toen zat ik bij sportclub ‘De jonge boeren’. Als tiener was ik best wel verlegen, een mens van weinig woorden. Alleen als mij iemand iets “in de weg” legde, dan kon ik wel eens uit de hoek komen. Hier in Hunsel ben ik ook nog leider van de kapel geweest, net als mijn vader. Die had wat minder geduld met iets minder getalenteerde muzikanten. Die zei dan al snel: “Kun je dat nu nog niet?” Wat dat betreft heb ik wel wat meer geduld geloof ik. Tijdens de repetities ben ik best gedreven, dat moet ook, maar je kunt mensen alleen maar een partij laten spelen die ze ook daadwerkelijk aankunnen. Bij de Maaskapel krijgt iedereen zijn kansen. Of het lukt, dat is meestal afhankelijk van wat men eraan wil doen. Thuis repeteren helpt daarbij”. Wat is belangrijk in het leven?“Je gezondheid. Als die goed is, dan komt de rest vanzelf. Gelukkig hoef ik helemaal nog geen pillen te slikken. Natuurlijk hoop je ook altijd dat je kinderen goed terechtkomen. Die hebben hun eigen leven, maar dat blijft altijd een aandachtspunt”. Hoe is jouw carrière verlopen?“Na de middelbare landbouwschool heb ik nog wat vakscholen bezocht. Daarna ben ik aan de slag gegaan als vertegenwoordiger in bestrijdingsmiddelen. Dat heb ik ongeveer anderhalf jaar gedaan, maar dat lag me niet zo. Omdat ik de enige zoon was dacht mijn vader dat ik de boerderij wel zou overnemen. Dat heb ik daarna tot eind jaren zeventig ook wel gedaan. We hadden 400 mestvarkens, een 50-tal zeugen, wat schapen en deden aan akkerbouw. Een gemengd bedrijf zoals dat heet. Door de uitbreiding van het dorp kreeg ik geen vergunning meer om mijn bedrijf verder uit te breiden. Ik deed dat boerderijgebeuren eerlijk gezegd zo’n beetje half/half, zo op ’t randje. Dat was dus ook niet zo geschikt voor mij. Vervolgens heb ik een tijdje op de natronchemie gewerkt en met een bakkerswagen rondgereden om daarna in de bouw terecht te komen, waar ik een jaar of vier, vijf als metselaar bij een bouwbedrijf heb gewerkt. Dat beviel een stuk beter, maar om nou de rest van mijn leven in loondienst te blijven werken, nee, dat zag ik ook weer niet zitten. Uiteindelijk ben ik toen ‘op mezelf’ begonnen, als klusjesman en metselaar. Ik heb toen bijvoorbeeld dit pand gekocht en behoorlijk verbouwd zodat er uiteindelijk een nieuwe woning en drie appartementen gerealiseerd werden. Daarna heb ik links en rechts nog wat oude schuren en huizen gekocht en verbouwd tot woningen en zo heb ik aan de weg getimmerd met onroerend goed. Zo rond mijn vijftigste ben ik het rustiger aan gaan doen en heb ik me geconcentreerd op het verhuren van die woningen en het onderhoud daarvan. En natuurlijk, ik heb geluk gehad dat de huizen in die periode enorm in waarde gestegen zijn. Nog wat belegd in aandelen, maar die heb ik vorig jaar gelukkig net op tijd verkocht. Net op het juiste moment! De AEX stond toen nog op 533. Ja, ik had er geen goed gevoel meer bij. Ik dacht: “Bert, weg met die handel”. Toen ben ik naar de bank gestapt en heb ik ze allemaal verkocht.
In 1995 had ik een behoorlijke hernia, waaraan ik in 1996 ben geopereerd. De dag vóór de operatie heb ik nog op mijn knieën een paar deurdorpels gelegd. Dat wou ik toch af hebben zodat de stukadoor vooruit kon. Op advies van mijn dokter ben ik destijds gestopt met de werkzaamheden in de bouw. Vanaf die tijd ben ik parttime een beetje aan het klussen bij ‘de Hobbyist’ te Hunsel, waar ik intercomsystemen op motors en helmen inbouw”. Bert, ben jij eigenwijs? Tiny: “Als Bert een mening heeft, dan is dat zo en dan blijft het ook zo. Wat dat betreft is hij niet iemand die snel toegeeft. Meestal heeft hij wel goed nagedacht over alles wat hij wil doen. Bij de kapel is het sowieso zo dat veel beslissingen door Bert zelf genomen worden”. Bert: “Dat klopt, maar het is niet zo dat ik niet vraag naar de meningen van de anderen, juist wel. Bij onze nieuwe CD heb ik bijvoorbeeld alle leden per mail de lijst met nummers toegestuurd en gevraagd wat ze ervan vonden. Sommigen hebben dan ook wel een mening, maar algemeen gesproken krijg ik niet zo heel veel reacties. Er zijn namelijk ook leden die er 100% op vertrouwen dat ik mooie nummers uitzoek. Daar besteed ik ook wel veel tijd aan. Ik vind het belangrijk dat de CD een fris karakter heeft. Het heeft geen zin om allemaal nummers op te nemen die door andere kapellen ook opgenomen worden. Dat voegt niets toe. Ik zit graag achter de computer om dat allemaal te beluisteren en “uit te vogelen”. Ongelooflijk wat je via internet allemaal kunt vinden”. Wat is jullie favoriete vakantieland?“Echt op vakantie gaan doen we pas sinds een jaar of vijf. Vroeger gingen we nooit. In de bouwvakantie was ik drie weken aan het klussen. En natuurlijk veel weg voor de muziek. Ik weet nog goed dat Sandra en Maaike op zondagmorgen steeds zeiden: “Pap, naar welke tent moeten we vandaag?” Dat zegt genoeg! Ze zijn opgegroeid met muziek en gezelligheid. We gaan nu graag naar Oostenrijk en Tsjechië, en Tsjechië natuurlijk vooral voor de muziek. Dan denk ik bijvoorbeeld aan het Hodonin-festival. Zon, zee en strand, dat is niets voor ons. Mijzelf is dat ook te heet, dan zou ik heel snel onder een boom gaan zitten!” Tiny: “Als we op vakantie gaan knobbelt Bert meestal vooraf een heel programma uit. Daar zegt hij niet veel over, maar dan zit hij achter de computer en opeens heeft hij voor alle dagen een programma klaar. Dan is alles geregeld. En dan zorgt hij natuurlijk ook ervoor dat er wel iets tussenzit van muziek”.
Bert: “Paar uurtjes blaasmuziek moet kunnen, toch?” ![]() Bert, jij bent volgens mij geen vergadertijger…. “Nee, helemaal niet! Als er iets besproken moet worden doe ik dat meestal tijdens de wekelijkse repetitie. Tja, ik ben een man van de praktijk. Ik geef me er 200% voor, met veel plezier, en dan komt er vanzelf heel veel op mijn bordje terecht zoals bijvoorbeeld muziek uitzoeken, optredens contractueel vastleggen en natuurlijk het jaarlijkse Maasblaasfestival organiseren. Dit jaar vindt dat plaats op 31 oktober en 1 november. Als hoofdact hebben we een optie op Tufaranka. Verder zorg ik voor het geluid, samen met onze geluidsman Patrick. Er moest een aanhanger komen, en toen weer een iets grotere aanhanger, nieuwe banden en zo gaat dat maar door. Die aanhanger wordt uiteraard hier gestald en als het geluid in- en uitgeladen moet worden, tja, dan doe ik dat. Bij optredens ben ik al twee uur van tevoren aanwezig om samen met Patrick alles in gereedheid te brengen. Natuurlijk vraag ik de andere leden om mee te helpen na het optreden en dat gebeurt dan ook. Kortom, ik doe heel veel alleen, dat is zo gegroeid, maar erover klagen, nee, dat doe ik niet”. Waar kun jij je aan ergeren?“Ach, dat valt wel mee. Ik erger me niet zo gauw. ’s Morgens moet je me wel een klein beetje met rust laten. Eerst een “tas” koffie, krantje lezen en dan zo rond een uur of tien, dan begint de wereld weer om het zomaar eens te zeggen. Waar ik me wel aan kan ergeren, dat is als mensen iets vertellen, vol overtuiging, terwijl ik zelf het idee heb dat het absoluut niet kan kloppen. Dan heb ik zoiets van, man, denk eerst een fatsoenlijk na voordat je iets zegt. Waar ik me ook kan ergeren is dat het wel eens voorkomt dat muzikanten pas 5 minuten voordat een optreden begint, aanwezig zijn. Dat snap ik dus niet hè. Natuurlijk, dat kan een keer voorkomen, maar toch”. Stel dat je nog eens 25 zou kunnen zijn, wat dan?“Als ik nog eens jong zou kunnen zijn, dan zou ik graag een professionele carrière in de muziek willen opbouwen. Dan zou ik misschien naar het conservatorium gaan, of in elk geval een dirigentencursus volgen. Toen ik 15 was ben ik voor het eerst naar een optreden van Ernst Mosch gaan luisteren. Dat vond ik geweldig. Tussen mijn 15e en nu is natuurlijk heel veel gebeurd. Ik ben begonnen op bugel en rond mijn 20e ben ik overgestapt naar euphonium. Door dit instrument ben ik ook bij de harmonie en de Maaskapel van Wessem terecht gekomen. Men moest destijds een uithulp hebben om de bezetting compleet te maken vanwege de deelname aan het bondsconcours. Na dat concours ben ik nog 35 jaar lid gebleven. Door problemen met mijn tanden heb ik een half jaar niet kunnen spelen. Op dit moment speel ik bugel bij de fanfare van Hunsel. Op korte termijn wil ik echter weer terug naar tuba of bas. Dat is mogelijk omdat ik een kunstgebit heb met implantaten en het muziek maken begint gelukkig weer aardig te gaan. Als ik iets doe, dan moet het ook goed zijn. Bij de fanfare zouden ze het liefst willen dat ik bas ga spelen. Was dat ding maar niet zo zwaar. Dat is toch een gesleep zeg, met zo’n groot ding! Als ik helemaal niets meer aan mijn hoofd zou hebben, niks hoefde te regelen, dan zou ik wel bas bij de kapel willen spelen, zo’n kleine Tsjechische bas! Maar dus alleen als ik verder absoluut niets hoefde te doen. Gewoon mijn pupitre neerzetten, partij en hup, blazen en met die bas zorgen voor een flinke drive”. Hoe lang ga je nog door als kapelmeester van de Maaskapel?“Goeie vraag. Die vraag heb ik mezelf al vaker gesteld. Ik denk dan meestal in ronde getallen. 50, 55, 60. Toen ik richting de 60 ging dacht ik er serieus over na om te stoppen. Tegelijkertijd dacht ik dan ook wel: “Bert, wat ga je met al die vrije tijd doen? Wandelen met de vrouw?” Ik dacht na over hoe ik die tijd zou kunnen invullen. Toen ik daadwerkelijk zestig werd ben ik toch doorgegaan. Dat heeft vooral te maken met het feit dat we een goede bezetting hebben. Er waren wel eens wat probleempjes, maar op dit moment hebben we eigenlijk een uitstekende bezetting. Geen enkel probleem. Zolang als dat zo blijft ben ik ook wel bereid om door te gaan. En natuurlijk zo lang als dat de leden het willen. Maar.... ik wil ook niet zomaar oneindig blijven doorgaan. Het lijkt me verschrikkelijk om bijvoorbeeld te stoppen als de kapel muzikaal gezien niets meer zou voorstellen. Dan stop ik liever op een hoogtepunt. Ik bekijk het nu dus van jaar tot jaar. Ga er in elk geval maar vanuit dat ik net voor een jaar heb bijgetekend, ha ha!
We zijn nu met een nieuwe CD bezig. En dan denk je toch onwillekeurig: “Zou dit de laatste CD zijn?” Dat zou kunnen. En dus wil ik er een hele mooie CD van maken. Maar ja, voor hetzelfde geld is het toch weer niet de laatste CD. De toekomst zal het leren!” ![]() Vernieuwing. Waaraan denk jij bij dit woord? “Mijn eerste gedachte is dat je als kapel moet proberen iets uit te stralen. Het is mij duidelijk geworden dat we ons niet moeten vastpinnen op slechts één repertoire. Tegelijkertijd kunnen we ons afvragen of we binnen de genres die er zijn nog wel zoveel nieuwe dingen kunnen toevoegen. Bij dit alles spelen de wensen van de eigen leden ook een belangrijke rol. Vernieuwen is sowieso niet gemakkelijk. In de zaal zie je nauwelijks mensen van onder de twintig. Het doorsnee publiek heeft toch een leeftijd van rond de zestig. Bij sommige Tsjechische kapellen zoals Vlado Kumpan zie je wel jonge mensen in de zaal. Misschien slagen sommige kapellen er niet in om het publiek voor zich te winnen omdat ze te eenzijdig bezig zijn, alleen voor zichzelf. Ik bedoel dat niet negatief, maar bij de Maaskapel vinden we in de allereerste plaats dat we spelen voor het publiek. En als je dat wilt, dan zul je daar dus iets voor moeten doen. Dan kun je niet het repertoire blijven spelen zoals je dat twintig jaar geleden ook deed. Voor een deel is het ook een kwestie van dingen slim aanpakken. Als wij het nummer ‘Op de lolly’ spelen, dan vinden de mensen dat leuk. Men is geïnteresseerd. Het gevolg is dat men dan ook luistert naar het volgende nummer. En als dat dan een vlot Tsjechisch nummer is, dan heb je een grotere kans dat ze dat óók leuk vinden. Je moet het publiek zien te boeien. Als een kapel niet zo actief is, tja, wat moet je dan? Als de muzikanten allemaal stokstijf op hun stoel blijven zitten, dan wordt het al snel saai. Zo gezapig. Wij eindigen altijd met een polonaise en dan pakken we onze vlaggen erbij. Dat lijkt misschien afgezaagd, maar het werkt wel. De mensen vinden het leuk. Nou, prima toch. Een stuk hoeft ook niet heel ingewikkeld te zijn. Je kunt beter in een ‘onnozel’ stuk je hele ziel en zaligheid leggen dan een moeilijk stuk rechttoe, rechtaan spelen. Een tijdje geleden hebben we de act met de pathefoon (platengrammofoon met slinger) uitgevoerd. We hebben dat destijds bijvoorbeeld op het Internationaal Blaaskapellenfestival in Beringe en in Freisen (Duitsland) gespeeld, waar de top van de blaasmuziek bijeen komt. Op beide festivals kregen we goede reacties en daar gaat het om. Dat is een stukje originaliteit, amusement en een stukje lef. Daarom vind ik het belangrijk dat de bezetting breed is, dat wil zeggen een accordeon, een basgitaar en ook een ‘turbo tuba’ mag niet ontbreken. Daarmee kun je je onderscheiden, net iets anders klinken als andere kapellen. En daar gaat het om”. Bert, wat kun je ons nog vertellen over de nieuwe CD?“Onze nieuwe CD, die “Euver de Maasbruek” (Over de Maasbrug) gaat heten, is een mooi voorbeeld van blaaskapellenmuziek die net iets anders klinkt. Op deze CD staan nummers zoals “Happy Day”, een solistisch nummer in big band stijl, gespeeld door 3 trombones en het nummer “Ein Lied von unsere Mädels“, gespeeld door de dames op sax alt. Verder speelt ons jongste lid, Tommy van Peij, een baritonsolo met de titel “Bariton Sepp”. En wat dacht je van het nummer “Zwei Turteltauben”, een solo voor tenorhoorn en Flügelhorn, gespeeld door Kees Mulder en Maurice Hennissen. Thijs Wertz op trompet laat ons genieten van de “Mondschein Melodie”.Hans Wouters speelt een mooie, rustige trombonesolo, getiteld “Posaunen Traumen”. Wat de polka’s betreft: deze zijn van snel tot langzaam bijvoorbeeld “Grüss an Freunde”, “Jany Polka” en “Von Kossen nach Wessem” zijn snelle, lekker in het gehoor liggende polka’s. “Von Kossen nach Wessem” is speciaal voor de Maaskapel gecomponeerd door Martin Scharnagl. Martin is de muzikale leider van de Oostenrijkse groep “Viere Blech”. De nieuwe CD is geproduceerd in samenwerking met studio Marlstone uit Bunde. Op zaterdagavond 6 juni presenteren we deze CD, en wel vanaf 20.00u. Die dag vieren we ook onze “Open Fanclubdag”. Dit alles vindt plaats te Wessem in de Harmoniezaal”. Voor meer informatie over Die Original Maaskapelle kunt u Bert bellen, tel. 0475-565048 / 06-13136144 of e-mail: Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken of via de website www.maaskapel.com |
| < Vorige | Volgende > |
|---|

“Na een optreden van vier uur ben ik ‘zo vaerdig wie ein communiejeske’ !!!”















