| Op visite bij... Theo van Hamond |
|
De Brabander Theo van Hamond, sinds 2007 woonachtig in Boxtel, is binnen de Nederlandse blaaskapellenwereld vooral bekend als bestuurder. Daarnaast heeft hij als klarinettist zijn sporen ruimschoots verdiend bij meerdere blaaskapellen met een uitstekende naam. Nog altijd helpt hij regelmatig bij kapellen, zoals de Drie Donken Blaaskapel. En natuurlijk speelt hij bij de kapel die hij in 2008 zelf heeft opgericht: “Blaaskapel Brabant”. Muziek is, zeker nu hij met de vut is gegaan, de rode draad in zijn leven. Het vergaderen en organiseren zit hem in het bloed. In vroeger jaren met name om verder te komen met de kapel waar hij op dat moment lid van was, tegenwoordig meer om de blaaskapellenwereld in zijn algemeenheid vooruit te helpen. Dat is een lange en lastige weg, waarbij hij zichzelf ook wel eens afvraagt welke resultaten er nu daadwerkelijk behaald zijn en welke impact die resultaten in de praktijk hebben. Met veel geduld blijft hij zich echter onvermoeibaar inzetten voor de goede zaak. Hij geeft niet op, zet zijn visie op papier, schrijft beleidsnotities, voert overleg op regionaal en landelijk niveau en toont zich een gedreven diplomaat. Thuis, samen met zijn vrouw Marieke, wordt er genoten van het leven. Regelmatig een weekendje er tussenuit, een etentje, met vakantie, op bezoek bij de kinderen en kleinkinderen. Samen een wijntje drinken.
Interview september 2009 - Ruud van Didden Theo, wanneer ben je geboren en waar? “Mijn geboortedatum is 5 mei 1946, de geboorteplaats het Brabantse Den Dungen. We waren thuis met zes kinderen, vier jongens en twee meisjes. Ik ben de jongste telg. Mijn ouders waren niet muzikaal actief, maar hadden wel muzikaal bloed. Mijn broer Hein speelt net als ik klarinet. Hein heeft destijds, samen met o.a. Ad van der Bruggen, de Landkampioenschappen voor Blaaskapellen opgezet, in Den Dungen”. Hoe is je huidige gezinssituatie? “In 2002 ben ik getrouwd met Marieke de Bekker. Met Marieke ben ik eind 2007 naar Boxtel verhuisd. Daarvoor was ik vanaf mijn geboorte woonachtig in Den Dungen. In 2000 is mijn vrouw Hanneke gestorven waardoor ik een paar jaar alleen ben geweest. Mijn overleden vrouw Hanneke en ik hebben 2 kinderen; een dochter die in Hoofddorp haar gezin heeft en mijn zoon Fedor (oudste kind) die in Den Bosch zijn gezin heeft. Deze gezinnen hebben elk twee kinderen, onze kleinkinderen. Fedor is in de muzikale voetsporen van mij getreden. Hij speelt als flügelhornist/trompettist bij de Drie Donken Blaaskapel. Marieke heb ik dankzij de muziek leren kennen. Zij heeft drie kinderen. Marieke is een getalenteerde en ervaren zangeres in zowel de Böhmische als de Moravische muziek. Onze gezamenlijke hobby brengt ons veel plezier en heeft als voordeel dat de agenda’s behoorlijk parallel lopen”. Hoe was je als tiener? “Als tiener was ik een vrij rustig en leergierig kind. Naast de school en de opleiding voor mijn vak ben ik vanaf mijn 5e jaar muzikaal actief als klarinettist en later ook als saxofonist. De muziek heeft voor mij altijd veel betekend en heeft mij erg geholpen om in moeilijke perioden de positieve energie te krijgen om verder te gaan”. ![]() Hoe is jouw carrière verlopen? “Naast de muziek heb ik tot mijn 27e jaar altijd in de avonduren gestudeerd om het financiële vak goed te beheersen. In verschillende bedrijfstakken ben ik werkzaam geweest in het financiële vak. Ik was administrateur, hoofd administratie, financieel adjunct-directeur. De laatste pakweg 25 jaar ben als adviseur en interim-manager werkzaam geweest in de gezondheidszorg. Nu ben ik inmiddels 1 jaar met prépensioen en kan ik meer tijd besteden aan o.a. mijn muzikale hobby. Een half jaar geleden heb ik een nieuwe blaaskapel met de naam “Blaaskapel Brabant” opgericht. Ik geef mezelf wel eens gekscherend de titel van “onbezoldigd beroepsmuzikant”. Hoe is je muzikale carrière verlopen, in vogelvlucht? “In 1952 ben ik als klarinettist lid geworden van Harmonie Wilhelmina in Den Dungen. Mijn lidmaatschap aldaar heeft 22 jaar geduurd. Toen ik 19 jaar was, in 1965, ben ik lid geworden van de toen startende Drie Donken Blaaskapel, ook nu nog steeds een prachtige kapel. Daar ben ik zeer lang lid gebleven, iets meer dan 25 jaar. Daarna volgden vijftien jaren bij blaaskapel Amatinka. Daarna, in de periode 2005-2007, ben ik lid geweest van Brabantsch’ Egerländer Musikanten en daarna nog anderhalf jaar bij Blaasorkest Geldrop. In 2008 tenslotte heb ik besloten een nieuwe kapel op te richten, met iets oudere muzikanten. Die kapel luistert naar de naam ‘Blaaskapel Brabant’. Het bijzondere aan die kapel is dat we ons ten doel hebben gesteld hoofdzakelijk doordeweeks op te treden. Op die manier proberen we een nieuwe markt aan te boren en niet te concurreren met andere kapellen. De gemiddelde leeftijd van de muzikanten ligt rond de zestig. Zij komen uit de regio Breda, Den Bosch, Eindhoven en Nijmegen. We maken hoofdzakelijk Moravische muziek, met 12/13 muzikanten, aangevuld met een zangduo. Marieke is onze zangeres.We repeteren elke donderdagmiddag in Geldrop, onder leiding van Pieter Bukkems uit Someren. Jef Bakermans, van blaasorkest Geldrop en andere bekende muzikanten, zijn ook lid van Blaaskapel Brabant”. Je hebt lang in de gezondheidszorg gewerkt. Je eerste vrouw is op relatief jonge leeftijd gestorven aan een zeer vervelende ziekte. Hoe ben je daarmee omgegaan, hoe kijk je daar tegenaan? In hoeverre heb je je gezondheid zelf in de hand? “Je gezondheid kun je enigszins op peil houden, bevorderen in positieve zin, door dingen bewust te doen of juist te laten. Dat helpt in een bepaalde mate. Desalniettemin kun je ziek worden, sneller dan je wellicht denkt, en zelfs veel te vroeg overlijden. Het overlijden van mijn vrouw Hanneke heeft mij in die zin beïnvloed dat ik sindsdien toch zorgvuldiger omga met de mooie en goede dingen van het leven. Het leven wordt sindsdien bewuster geleefd na een dergelijk afscheid. En ellendige dingen zoek ik liever niet op. Omdat bepaalde ziektes nu eenmaal zo zijn zoals ze zijn kun je uiteindelijk, hoe vervelend dat ook is, niet anders dan een bepaalde situatie accepteren zoals ze is. Dat heeft ertoe geleid dat ik verdraagzamer ben geworden, milder. Gelukkig ben ik van nature een optimist, iemand die positief in het leven staat. Dat is toch wel een groot voordeel, zeker in tijden waarin het minder goed gaat met iemand die je lief hebt”. Wat vind je belangrijk in het leven? “Belangrijk in het leven is het leven inhoud geven door je werk, je gezin, je vrijetijdsbesteding. Maar ook vriendschap, sociale vaardigheden, eerlijkheid, betrouwbaarheid en het leveren van inzet zijn eigenschappen die belangrijk zijn voor een prettig leven. Je gezondheid, zoals gezegd, heb je zelf nauwelijks in de hand”. ![]() Ik ken jou als iemand met een enorme portie geduld, iemand die in staat is jaren te werken of te wachten om een bepaald doel te bereiken. Hoe zie je dat zelf? “Mijn eerste gedachte bij deze opmerking is dat ik volhard in de visies die ik heb. Om vervolgens die visies te kunnen uitdragen en waarmaken is het nodig dat je mensen kunt overtuigen. En dat kan soms lang duren inderdaad. Toen ik wegging bij mijn vorige werkgever zei mijn directeur dat ik iemand ben die pas reageert, die pas een antwoord heeft op het moment dat ik weet dat het een gedegen antwoord is. En dat klopt. Ik zeg pas iets als ik ervan overtuigd ben dat een ander daar iets mee kan doen, daar verder mee kan komen. Geen losse flodders. Het gevolg is dat men meestal toch wel luistert naar datgene wat ik zeg. Dat leidt niet altijd meteen tot een bepaald resultaat, maar op de langere termijn wel. Ik weet dat ik, en dat geldt zeker voor mijn activiteiten binnen de wereld van de blaaskapellenmuziek, een idealist ben, vaak tegen beter weten in! Toch blijf ik vasthoudend, al is het daarbij niet altijd mogelijk om met iedereen eindeloos te blijven communiceren. Je moet niet de kool én de geit willen sparen. Dat werkt ook niet. Aan de andere kant: ik zal nooit deuren dichtgooien om het zomaar te zeggen. Ik blijf hoop hebben. Als je de deur achter je dichttrekt, tja, dan houdt het op en zul je je eigen beoogde resultaat niet meer kunnen behalen. Maar dat vergt inderdaad wel een gezonde portie geduld. Dat kan ik niet ontkennen.In dit verband moet ik denken aan mijn activiteiten bij de KBO, de Katholieke Bond van Ouderen. Daar ben ik met mijn 63 jaren een “jongeling”. Het frappante is dat bij de KBO de ouderen tegen de jongeren zeggen: “Kom op jullie, jullie mogen veranderen, we geven jullie ruimte voor vernieuwing!”Als ik dat vergelijk met de blaaskapellenwereld dan zijn er, laat ik mij voorzichtig uitdrukken, toch wel enkele verschillen”. Zijn er, binnen de binnen de wereld van de blaasmuziek, wel eens momenten dat je denkt: tot hier en niet verder. “Jawel. Er zijn momenten geweest dat ik een streep wilde trekken, dat ik er geen energie meer in wilde steken omdat ik het idee had dat bepaalde dingen niet haalbaar blijken. Toch heb ik daarna, tot nu toe, toch weer lichtpuntjes gezien. En volgehouden. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat ik 63 ben, en dat er, en daarbij denk ik aan bestuurlijke veranderingsprocessen binnen de blaaskapellenwereld, toch snel een tastbaar resultaat moet komen. Ik zie mij namelijk de bestuurlijke inspanningen die ik nu pleeg, niet meer doen op mijn 70e. Wellicht zou ik dat dan qua gezondheid nog wel kunnen, maar te lang doorgaan is iets waar ik huiverig voor ben. Op een gegeven moment loop je toch een groter risico om de greep te verliezen, dat je je eigen visie niet meer scherp genoeg kunt ventileren. Nee, je moet niet zomaar op het pluche blijven zitten. Het klinkt misschien een beetje cru, maar je moet op tijd wegwezen.Bovendien moet je, als je iets ouder bent, reëel zijn. Je weet niet precies hoeveel jaren je nog gegund zijn. Er zijn nog zoveel andere leuke dingen die Marieke en ik kunnen ondernemen, en die wellicht ook beter bij ons passen, gezien de fase van ons leven waarin we ons bevinden. Dan is het heel goed, zelfs beter, om verstandige keuzes te maken. We gaan regelmatig op vakantie, een weekendje weg, noem maar op. Dat bevalt uitstekend. Nu kan het nog”. Waar kun je je aan ergeren? “Ik erger me soms aan mensen die niet eerlijk en betrouwbaar zijn. Ook het niet nemen van verantwoordelijkheid waar dat gevraagd wordt is soms een moeilijk punt”.Stel dat je nog eens 25 zou kunnen zijn? “Mag ik hierbij uitgaan van 15 jaar? Op die leeftijd zou ik ongetwijfeld mijn gemiste beroep van professioneel muzikant inhoud gaan geven. Na mijn Mulo-tijd mocht ik niet naar het conservatorium omdat ik maar beter een vak kon leren. Een beroepsmuzikant werd in die tijd getypeerd als iemand die weinig verdient, aan de drank en de vrouwen raakte. Dat is er dus niet van gekomen. Een tweede goede aanleg, de rekenvakken, bepaalde mijn uiteindelijke beroep”. Waaraan denk je bij vernieuwing? “Hierbij denk ik aan manieren en wegen uitstippelen die nog niet zijn begaan waarbij je de kennis en ervaring kunt gebruiken van hoe dingen tot nu toe zijn aangepakt en gerealiseerd. Soms zijn ook niet verwachte bewegingen nodig om iets nieuws tot stand te brengen. Kijk eens op een andere manier naar de dingen en durf eens iets uit te proberen buiten de gebaande paden.Binnen de blaaskapellenwereld wordt, net zoals bij andere vormen van vrijetijdsbesteding, de vernieuwing voor een groot deel bepaald door de, als je het zo mag noemen, ‘betere’ blaaskapellen. Die kapellen bepalen het imago. Die kapellen hebben een uitstraling naar andere kapellen die op een iets ander niveau acteren. Dat kan op kwalitatief niveau zijn, qua entertainment, qua presentatie, qua kleding, noem maar op. Persoonlijk zou ik het toejuichen als de betere kapellen een bepaalde verantwoordelijkheid nemen om hun kennis en kunde te delen met andere kapellen. Hoe dat moet of kan is een andere zaak, maar daar ligt wel de kern om de gehele blaaskapellenwereld een stimulans te geven”. Waaraan denk je nog meer, heb je concrete ideeën? “De Drie Donken Blaaskapel heeft ooit dankzij een samenwerking met Toon Hermans de televisie gehaald. Denk aan wat de Limburger Gé Reinders doet met harmonie- en fanfareorkesten. Stel dat je als blaaskapel iets zou kunnen doen met de Brabantse volkszanger Guus Meeuwis. Daar zou de hele blaaskapellenwereld beter van worden. Een oud voorbeeld: Joost Nuissel die met een blaaskapel een plaat heeft opgenomen: “Ik ben blij dat ik je niet vergeten ben”. Of stel dat je, hier in Brabant, iets doet met Gerard van Maasakkers. Je kunt het ook iets breder zoeken, een samenwerking met een poporkest, een harmonie, een filharmonisch orkest, noem maar op. Je moet in elk geval iets doen dat afwijkt van het gebruikelijke. Je moet buiten de plat getreden paden treden. Dat is vernieuwing”. ![]() Je was ooit mede-oprichter van de gouden Edelweiss-concours? Wanneer? Waarom was toen "het klimaat" voor concoursen beter? Hoe ziet volgens jou het ideale concours eruit? In 2008 heeft er geen landelijk kampioenschap plaatsgevonden. Is dat niet-doorgaan wel uit te leggen? In hoeverre tekent dit de zwakte / sterkte van de landelijke structuur / overkoepeling m.b.t. blaaskapellen? “Dit zijn wel veel en verschillende vragen. Waar zal ik beginnen. Inderdaad ben ik als bestuurder van de Drie Donken Blaaskapel uit Den Dungen vanaf het begin (1965) betrokken geweest bij de organisatie van de Landkampioenschappen voor Blaaskapellen waarvan de Gouden Edelweiss de trofee was. Mijn broer was in het begin de grote aanjager en organisator van dit unieke evenement. Qua opzet is dit evenement bepalend geweest voor het latere concourswezen voor de blaaskapellen. De namen van de klassen (heuvel-, berg- en topklasse) zijn afkomstig uit Den Dungen en worden nu nog steeds internationaal gehanteerd. De sfeer tijdens deze landskampioenschappen was wel anders omdat er veel meer dan op de huidige concoursen aandacht was voor entertainment. Ook de internationale juryleden met grootheden uit de blaasmuziek gaf het een speciale uitstraling. Helaas zijn bij de huidige concoursen teveel de regels en werkwijze van de hafabra van invloed. Blaaskapellen zien dit als een nadeel. In totaal zijn in de periode 1965 tot 1990 naar ik meen 14 keer de Landskampioenschappen door de Drie Donken Blaaskapel georganiseerd waarvan ik de helft als kartrekker heb gefunctioneerd. De belangstelling van blaaskapellen voor concoursen is momenteel niet erg groot, het merendeel van de kapellen gaat nooit naar een concours. Een paar jaar geleden heeft de KNFM Stuurgroep Blaaskapellen Regio Zuid hiernaar onderzoek gedaan. Om de belangstelling van kapellen en het publiek voor de concoursen te vergroten is het nodig dat de factor entertainment méér aandacht krijgt en dat de regeldrang vermindert zodat de spontaniteit van de blaaskapellen meer naar voren komt. Het niet doorgaan van de Nederlandse Kampioenschappen in 2008 heeft vooral te maken met overschakeling naar een ander tijdstip en de volgorde van concoursen. Mijn overtuiging is dat bij het tot stand komen van één landelijke muziekorganisatie de onderwerpen die landelijk geregeld moeten worden beter uit de verf zullen komen, de noodzaak daartoe is aanwezig”. Heb je naast de muziek nog andere hobby’s? “Sedert 1 mei 2008 ben ik met de Vut. In de vorige zomervakantie heb ik goed nagedacht over de tijd die ik vrij heb gekregen. Naast de vele activiteiten als muzikant en bestuurder voor de blaaskapellen had ik het plan om mij in te zetten voor het welzijn van oudere mensen. Inmiddels ben ik gecertificeerd ouderenadviseur, bestuurder bij de KBO (Katholieke Bond voor Ouderen) in één van de 4 wijken in Boxtel en binnenkort secretaris van de KBO afdeling Boxtel met bijna 2000 leden. Aan dit vrijwilligerswerk kan ik een ander deel van mijn hart ophalen. Het is leuk om als gezond persoon hiermee bezig te zijn. O ja, drie keer per week ga ik naar de sportschool. Dat is geen echte hobby, maar vervelend is het ook niet”. Sinds wanneer zet jij je persoonlijk in om op landelijk niveau de belangen van de blaaskapellenwereld te behartigen? “In het najaar 2003 ben ik officieel bij de KNFM Provincie Noord-Brabant gestart om daar met anderen te gaan werken aan een betere toekomst voor de blaaskapellen. In 2004 is een Werkgroep Blaaskapellen gevormd in Brabant. Bert de Proost, Cor Boers, Ruud van Didden, Leo van Beuningen en Jef Bakermans waren enthousiast om plaats te nemen in de werkgroep. In oktober 2004 werd de eerste vergadering met blaaskapellen gehouden in Beek en Donk. Vanaf die tijd is landelijk gewerkt aan het vormen van regiobesturen zoals die nu bestaan. Tot nu ben ik ook plaatsvervangend Federatielid van de KNFM voor de Doelgroep Blaasmuziek, deze taak kost in praktijk weinig energie. Met enige trots kunnen we zeggen dat we met de mensen van de Regio Zuid ook landelijk de blaaskapellen op de kaart hebben gezet. Het werk is echter nog lang niet voltooid zodat we in de nieuwe landelijke muziekorganisatie 1NMO daarmee met nieuw elan verder gaan. Als nieuw benoemde secretaris van de Stuurgroep Blaaskapellen in de nieuwe landelijke muziekorganisatie zal ik mijn bijdrage blijven leveren”. Als je de balans opmaakt van die periode welke (tastbare) resultaten zijn er dan bereikt? “Zoals gezegd is de vorming van de landelijke Stuurgroep Blaaskapellen, die met 4 regiobesturen werkt, het begin geweest van een veranderingsproces in ons land. In de Regio Zuid zijn veel ideeën uitgewerkt met en voor de blaaskapellen. Voortdurend onderstrepen we het belang van samenwerking tussen de kapellen. We hebben informatiethema’s gepresenteerd. De ontwikkeling van de Workshop Geluidstechniek voor Blaaskapellen krijgt veel belangstelling. De ontwikkeling van de concertreeks Karaktervolle Klanken slaat heel goed aan bij de blaaskapellen, alhoewel we daar met de opgedane ervaring nog meer kunnen bereiken. Een aantal ideeën ligt nog klaar om met de blaaskapellen op te pakken. De samenwerking met de Artistieke Commissie van Vlamo Blaaskapellen uit België ontwikkelt zich positief en zal ongetwijfeld voor blaaskapellen tot nieuwe plannen komen. Inmiddels werken de Belgische en Nederlandse juryleden steeds vaker samen tijdens concoursen en festivals”. Als je de landelijke samenwerking en vooruitgang op bestuurskundig gebied een rapportcijfer zou mogen geven, welk cijfer zou je geven? “Dit is een gewetensvraag waarop mijn reactie is dat ik constateer dat we in bestuurlijk opzicht de volwassen leeftijd bijna hebben bereikt. Als de Stuurgroep Blaaskapellen, de nieuwe landelijke muziekorganisatie 1NMO en de blaaskapellen serieus werk willen maken om de blaasmuziek nog meer bekendheid te willen geven en volwassener te maken dan is er voor de blaasmuziek een mooie plaats gereserveerd. Uiteraard spelen de blaaskapellen zelf daarin de belangrijkste rol. Bij de blaaskapellen zie ik vaak dat het artistieke deel veel aandacht krijgt maar dat de bestuurlijke en organisatorische zaken moeilijk lopen. Typisch is dat, algemeen gesproken, de betere kapellen ook méér aandacht hebben voor de bestuurlijke en organisatorische aspecten. Hier ligt ook voor ons nog een taak”. Heeft de blaaskapellenwereld behoefte aan een overkoepelende instantie die de belangen behartigt? Waaruit blijkt dat? Zo ja, hoe tonen de blaaskapellen die belangstelling? Zo nee, hoe kan dat proces in gang gezet worden. “De blaaskapellen hebben absoluut een sterke overkoepelende organisatie nodig die de belangen van de kapellen behartigt. Veel kapellen hebben deze overtuiging echter (nog) niet, andere duidelijk wel. Er is een aantal zaken die je als blaaskapel niet zelf kunt of wilt regelen en daarvoor doet de koepel het werk. De koepel heeft ook een professioneel serviceapparaat waarop aangesloten leden een beroep kunnen doen. De koepel adviseert, ondersteunt en levert een aantal producten en diensten die elders niet verkrijgbaar zijn”. Stel: de blaaskapellenwereld structuur geven via de nieuwe 1NMO of via een onafhankelijk separaat orgaan. Wat zijn de voor- en nadelen? Of er is zelfs een combinatie mogelijk? Een onafhankelijke organisatie die vervolgens eventueel input geeft aan het 1NMO? “Mij lijkt een zelfstandige organisatie voor blaaskapellen niet handig. Een belangrijk uitgangspunt van de nieuwe landelijke muziekorganisatie is dat door de bundeling van krachten een grotere vuist gemaakt kan worden naar de overheid en andere instanties zodat meer bereikt kan worden voor de aangesloten leden. Door het doelgroepenbeleid krijgen de doelgroepen in de praktijk toch een grote mate van zelfstandigheid. Helaas is de groep blaaskapellen in het hele bestel een klein onderdeel. Het is aan de blaaskapellen om toch de nodige aandacht op te eisen zodat de groep niet wordt weggedrukt in de grote organisatie. Op de regiobijeenkomsten leveren de kapellen de nodige input aan de bestuurders om het beleid te bepalen en ten uitvoer te brengen”. Gekoppeld aan vorige vraag: welke rol speelt de financiële bijdrage (lidmaatschap) van kapellen aan een landelijke structuur? Zonder financiële bijdrage geen of minder input of minder invloed? Kip / ei verhaal? Wanneer zouden kapellen wel bereid zijn een lidmaatschap aan te gaan bij 1NMO? Hoe kan dat gestimuleerd worden? “Hier heb je een vaak gehoord punt. Op de laatstgehouden informatiedag van de nieuwe muziekorganisatie heb ik er voor gepleit dat de hoogte van de contributie aan de koepel vooral dient te worden gebaseerd op aantallen leden van verenigingen. Een hoog vast bedrag per vereniging, zoals in het verleden te doen gebruikelijk was, maakt het voor blaaskapellen namelijk niet aantrekkelijk en soms onmogelijk om zich aan te sluiten bij de koepel. Een blaaskapel met 15 tot 18 leden dient geen of een laag vast bedrag te betalen, gelijkstellen met een vereniging van 100 of meer leden is niet redelijk. De invloed van blaaskapellen in de nieuwe organisatie is naar mijn mening te beperkt omdat er geen directe vertegenwoordiging is in de hoogste bestuurlijke organen. Een gemiste kans wat mij betreft. Wat betreft de bereidheid van blaaskapellen om zich aan te sluiten bij de nieuwe koepel denk ik dat de uitstraling van de koepel daartoe uit moet nodigen. Een koepel die in overdreven mate aandacht heeft voor concoursen zal niet interessant zijn voor blaaskapellen. Het aanbod van diensten en producten zal er anders uit moeten zien. Ook de directe link naar leden van muziekverenigingen zal er moeten komen zodat de koepel bij elke muzikant een herkenning heeft. Maak het voor muzikanten en verenigingen interessant om zich aan te sluiten. De tijd is voorbij dat een koepel alleen maar voorschrijft en regels kan opleggen. Laat leden van verenigingen en de verenigingen uiteindelijk de basis zijn voor het beleid en niet omgekeerd.De nieuwe muziekorganisatie zal zich, kijkend naar de blaaskapellen, moeten gaan profileren, de boer op. Men zal de kapellen moeten bewijzen dat het imago van een uiterst bureaucratische organisatie die niet luistert naar de wensen van de aangesloten verenigingen, verleden tijd is. 1NMO zal producten en diensten moeten gaan aanbieden waar kapellen echt iets aan hebben. Daarbij denk ik aan voorlichting met betrekking tot BUMA/STEMRA, het bieden van ondersteuning bij de facilitering van festivals, concoursen en evenementen, bemiddeling bij juridische vraagstukken, noem maar op. En, heel belangrijk, meer aandacht voor organisatorische aspecten, want dat is zoals gezegd toch een zeer belangrijke zwakke schakel in de blaaskapellenwereld. De kapellen dienen liefst planmatiger te gaan werken, in een breder samenwerkingsverband, waardoor automatisch meer mogelijkheden ontstaan en de kwaliteit van de output zal verbeteren, in welke vorm dan ook.Tijdens regiovergaderingen zullen wij de kapellen moeten uitleggen wat er allemaal, bij wijze van spreken, in ‘de rugzak’ zit van 1NMO. Als je info geeft komen daarna de vragen vanzelf. Interactie is heel belangrijk, want daardoor raken mensen geïnspireerd, komen er ideeën en creatieve oplossingen”. Hoe denk je dat 1NMO, in zijn algemeenheid, te werk dient te gaan, qua aanpak? Welk bedrijfsmodel dient gehanteerd te worden? “In den beginne zal het een zoektocht zijn naar een ideaal model. In de praktijk zal dat een kwestie van geven en nemen blijken. Concessies doen, compromissen sluiten, maar in de kern dient men er naar mijn mening vooral rekening mee te houden dat het bestuurskundige en organisatorische model ten behoeve van de blaaskapellen absoluut geen kopie dient te zijn van het model van de hafabrawereld. Die werelden zijn te verschillend om op een gelijke manier aan te pakken. Die fout is in het verleden te vaak gemaakt. Misschien begrijpelijk, maar inmiddels zou men moeten weten dat het niet werkt. Blaaskapellen hebben duidelijk een andere ‘eigenheid’, waarbij het element vrijheid en amusement belangrijke waarden zijn. De koepelorganisatie zal daarmee rekening moeten houden in de opzet, anders zal zij er niet in slagen een succesvolle aansluiting te bewerkstelligen. Van bovenaf iets opleggen, dat werkt niet bij blaaskapellen. Men dient te werken vanuit het veld. Daarom is het ook des te belangrijker om het model van de regiostructuur, de vier regio’s, vooral voort te zetten en de mensen die zich daarvoor inzetten voldoende bevoegdheden te geven, ook in formele zin, om daarmee regionale acties een status te kunnen geven. Dan werk je van onder naar boven. Dan mag het hoofdbestuur natuurlijk wel het werk van de regio’s controleren en/of vragen stellen. Dan is er sprake van tweerichtingsverkeer en niet meer, zoals vroeger, van éénrichtingsverkeer. Die weg is ingeslagen en ik zal mijn persoonlijk ervoor inzetten die weg voort te zetten”. Een vraag voor Marieke: wat zijn nou typische dingen, beetje grappig, die horen bij Theo. Kleine dingetjes die misschien niet wereldschokkend zijn, maar hem wel typeren. “Toen ik Theo leerde kennen vond ik het wel apart dat hij elke dag yoghurt eet, en liefst met bosvruchten. Werkelijk elke dag. En dat hij zeer ordelijk is. Zijn bureau is bijvoorbeeld altijd schoon, terwijl hij toch met van alles en nog wat bezig is. Hij is een geordend iemand. Hij ruimt dingen zo snel op dat als ik ’s morgens de krant wil lezen, Theo die krant al opgeruimd heeft! Natuurlijk zit hij regelmatig achter de computer, maar als die stuk is, dan kan hij zich behoorlijk ergeren. Dan hoor ik vanaf de bovenetage, vanuit het computerkamertje, weleens gevloek. Hij is namelijk niet zo technisch. Vergaderen en organiseren ligt hem beter! Hij probeert technische problemen wel zelf op te lossen, maar meestal breekt al snel het moment aan dat hij dan toch een deskundige moet raadplegen of dat de computer weggebracht moet worden”. Favoriet vakantieland? “Een specifiek vakantieland heb ik zelf niet zozeer. Wel bezoeken we vanwege onze muzikale interesse, hobby en de ontstane vriendschappen regelmatig Tsjechië. Om vakantie te vieren met Marieke gaat onze voorkeur uit naar de Oost-Europese landen. Veelal is nog sprake van rust en is het gras nog niet platgetrapt”. Tot slot: rode of witte wijn? “Laten we beginnen met rode wijn. Als er geen rode wijn meer is, kan er altijd nog overgeschakeld worden op witte wijn! Een goed bestuurder moet altijd ervoor zorgen dat ie nog een alternatieve oplossing achter de hand heeft”. |
| < Vorige | Volgende > |
|---|

De Brabander Theo van Hamond, sinds 2007 woonachtig in Boxtel, is binnen de Nederlandse blaaskapellenwereld vooral bekend als bestuurder. Daarnaast heeft hij als klarinettist zijn sporen ruimschoots verdiend bij meerdere blaaskapellen met een uitstekende naam. Nog altijd helpt hij regelmatig bij kapellen, zoals de Drie Donken Blaaskapel. En natuurlijk speelt hij bij de kapel die hij in 2008 zelf heeft opgericht: “Blaaskapel Brabant”. Muziek is, zeker nu hij met de vut is gegaan, de rode draad in zijn leven. Het vergaderen en organiseren zit hem in het bloed. In vroeger jaren met name om verder te komen met de kapel waar hij op dat moment lid van was, tegenwoordig meer om de blaaskapellenwereld in zijn algemeenheid vooruit te helpen. Dat is een lange en lastige weg, waarbij hij zichzelf ook wel eens afvraagt welke resultaten er nu daadwerkelijk behaald zijn en welke impact die resultaten in de praktijk hebben. Met veel geduld blijft hij zich echter onvermoeibaar inzetten voor de goede zaak. Hij geeft niet op, zet zijn visie op papier, schrijft beleidsnotities, voert overleg op regionaal en landelijk niveau en toont zich een gedreven diplomaat. Thuis, samen met zijn vrouw Marieke, wordt er genoten van het leven. Regelmatig een weekendje er tussenuit, een etentje, met vakantie, op bezoek bij de kinderen en kleinkinderen. Samen een wijntje drinken.














