| Op visite bij ... Caty Kalk |
|
Caty Kalk-Mulder, een krachtige persoonlijkheid met een bijzondere uitstraling. Zo kan Caty kort en krachtig getypeerd worden, maar wie haar iets beter kent weet dat achter deze ‘stem van het noorden’ bovendien een vrouw schuilgaat die midden in het leven staat en op tal van gebieden reeds tientallen jaren een actieve bijdrage levert aan het sociaal-maatschappelijke leven. Een duizendpoot, iemand die nooit opgeeft en natuurlijk een vrouw die haar mannetje staat in de overwegend door ‘grijzende’ mannen gedomineerde blaaskapellenwereld. Als presentatrice van het blaaskapellenconcours Muntendam geeft zij dit evenement extra cachet. Stijlvol, betrokken en met een vleugje Groningse humor. Wat dat laatste precies is? Tja, daarvoor moet u gewoon in 2010 het Blaaskapellenconcours Muntendam bezoeken. Behoorlijke reisafstand zegt u? Niet zeuren.
Interview oktober 2009 - Ruud van Didden Caty Kalk: Al bijna 30 jaar het gezicht van Blaaskapellenconcours Muntendam Caty, wanneer zag jij het levenslicht? “Op 7 juli 1942, een bijzonder goed bouwjaar, in Nieuweschans. Inmiddels ben ik dan wel een oma, maar... mijn kleinkinderen zeggen dat ik geen oma ben van “dertien in een dozijn” en beslist geen “muts”, ha ha. Ik heb één broer. Mijn ouders hadden een winkel, dicht bij de Duitse grens. Een semi-zelfbedieningswinkel. De klanten konden kiezen of ze bediend wilden worden of dat ze zelf de spullen pakten. Naast de gebruikelijke voedingsmiddelen verkochten we bijvoorbeeld ook souvenirs en ijs. De winkel was open van 7.00u ’s morgens tot 23.00u ’s avonds. Er was altijd wel wat te doen. Als ik echt eventjes alleen wilde zijn, nou, dan ging ik maar even naar het allerkleinste kamertje, want uitsluitend daar werd je niet gestoord.In die tijd was er geen sprake van gedoe, geen gezeur. Er werd gewerkt, de hele dag, en dat was het. Mijn moeder kon goed zingen en dankzij haar is bij mij de liefde voor de muziek gekomen. Op zondagochtend bezochten we wel eens muzikale evenementen. Een tijd lang heb ik accordeonles genoten”. Veel mensen die ik interview zijn geboren in de periode van vlak voor de oorlog tot vlak na de oorlog. Op de een of andere manier heeft deze generatie iets dat andere generaties niet hebben. Vasthoudend, uiterst zelfstandig, kritisch, maatschappelijk geïnteresseerd en vooral onvermoeibaar. Komt jou dat bekend voor? Heb je er een verklaring voor? “Niet direct, maar ik herken het wel inderdaad. Misschien heeft de generatie die jij bedoelt, en waartoe ook ik behoor, de nieuwe generatie oftewel hun eigen kinderen, te beschermd opgevoed. Wij wilden, en willen nog steeds, dat onze kinderen het beter hebben dan wijzelf. Niet dat wij het slecht hadden, helemaal niet, maar toch. Die andere manier van opvoeden, en natuurlijk alle ontwikkelingen op het gebied van o.a. televisie, telefoon en computer hebben een aantal verschillen opgeleverd. Ook qua mentaliteit. Wie loopt er tegenwoordig nog met een collectebus? Dat zijn toch vooral de ouderen. Wij doen dat gewoon. Weer of geen weer. Ik zie de jeugd van nu dat echt niet meer doen. Misschien komt het omdat wij, in onze jeugd, weinig vrije tijd gekend hebben. We moesten meewerken. En daardoor heb je wellicht ook op latere leeftijd nog steeds het idee dat je jezelf constant nuttig dient te maken. Voor mensen van mijn leeftijd is dat vanzelfsprekend”. ![]() Hoe is jouw huidige gezinssituatie? “Mijn man Freek is in 2003 helaas na een langdurige ziekte overleden. Ik mis hem nog elke dag. We zijn getrouwd in 1965 en hebben 2 dochters gekregen, en inmiddels 4 kleinkinderen. Freek kwam uit Veendam en daar hebben we de eerste zes jaar van ons huwelijk gewoond. In 1971 zijn we naar Muntendam verhuisd en daar woon ik nu nog steeds”. Hoe was je als tiener? “Terughoudend. Jawel, ik was in die tijd toch wel iemand die de kat uit de boom keek. Op de ULO school voelde ik mij niet zo happy. In die tijd waren de klasseverschillen behoorlijk groot. Kinderen van eenvoudige komaf werden door de ‘dikke boeren’ bij wijze van spreken nog niet eens met de kont aangekeken! Niet dat ik een minderwaardigheidscomplex had, maar het was ook niet zo van: “Hier ben ik en ik kan de hele wereld aan”.Pas toen ik op mijn vijftiende naar de Kweekschool ging, om een lerarenopleiding te volgen, kwam daar verandering in. Ik voelde mij gewaardeerd en daardoor groeide mijn zelfrespect. De contacten met mijn klasgenoten waren tijdens dat eerste schooljaar bovendien zo hecht dat deze nu, na vijftig jaar, nog steeds bestaan. Inmiddels hebben we al drie reünies georganiseerd. Dat is fantastisch.Hoe dan ook, dat terughoudende is nooit helemaal verdwenen. Ook nu nog ben ik lang niet altijd zo zelfverzekerd als dat ik misschien overkom, maar ik kan die onzekerheid wel goed verbergen. Tegelijkertijd kan ik ook wel zeggen dat ik de laatste 20 jaar meer op zoek ben gegaan naar uitdagingen, dat ik meer lef heb”. Hoe is jouw carrière binnen het onderwijs verlopen? “Mijn eerste baan in het lagere onderwijs als leerkracht was in Harlingen. Na een jaar overleed mijn moeder en dat deed me ertoe besluiten ontslag te nemen. Niet lang daarna ben ik aan de slag gegaan in Nieuw-Beerta. Dat duurde 3,5 jaar want ik trouwde met Freek en in die tijd werd je, als getrouwde vrouw, jawel, geacht om te stoppen met werken! En zeer gehoorzaam deed ik dat. Achteraf gezien ongelooflijk dat het zo ging in die tijd, maar je wist niet beter. Het was gewoon zo. Ik kan me nog herinneren dat ik zo netjes was om vóór de grote vakantie ontslag te nemen. Ik had net zo goed tot na de vakantie kunnen wachten en een maand langer mijn loon kunnen krijgen, maar ook dat deed je in die tijd niet. Toen Freek en ik naar Muntendam verhuisden en de kinderen naar het basisonderwijs gingen, besloot ik om af en toe weer voor de klas te willen staan. Tijdens een bezoek aan de school van onze kinderen heb ik gezegd: “Als er iemand ziek is, dan wil ik wel invallen”. Kort daarna kon ik een paar dagen invallen en langzaam maar zeker werd dat meer. Na twee jaar was er een vacature en dat resulteerde in een vast dienstverband. Vervolgens ben ik tot 1999 op diezelfde school actief gebleven. In diverse klassen en sinds 1986 parttime. De bovenbouw beviel me beter dan de onderbouw”. Wat is, voor jou, belangrijk in het leven? “Een goede gezondheid is het eerste waaraan ik denk, al zal dat zeer afgezaagd klinken, maar in mijn directe omgeving ervaar ik vrijwel dagelijks wat het betekent om met een ziekte te moeten leven, of met een gehandicapt kind en dus weet ik hoe machteloos je staat als je de pech hebt getroffen te worden door een ziekte. Dan kom je in situaties terecht waarvan je weet dat ze nooit echt zullen verbeteren. Dat is hard, ontzettend hard. Ook als jezelf gezond bent, maar min of meer moet toekijken hoe je eigen kind of kleinkind ziek is, met een blijvend karakter, dan vergt het veel energie om positief te blijven. Gelukkig kan ik dat laatste wel.Ik vind het belangrijk om relaties met mensen aan te gaan en te onderhouden. De vriendschappen die ik heb opgebouwd dankzij mijn activiteiten in de blaaskapellenwereld en mijn bestuursfuncties bij o.a. de plattelandsvrouwen zijn voor mij van grote waarde. Daar ben ik ontzettend blij mee. Dat is samen lachen, samen huilen, genieten, alles.Liefde is ook iets dat enorm belangrijk is. Freek en ik hadden een geweldige relatie. Natuurlijk, er waren wel eens dagen dat we allebei zo stijfkoppig waren dat er geen woord gezegd werd, maar we hielden van elkaar. Als ik daaraan terugdenk dan is de tijd dat we samen waren veel te kort. Met mijn twee dochters en schoonzoon heb ik ook een prima relatie. Daar doe ik alles voor. Niet omdat het moet, maar omdat ik dat fijn vind en als belangrijk ervaar”. Mag ik vragen hoe je bent omgegaan met de ziekte en het onvermijdelijke afscheid nemen van Freek? “Op een bepaald moment wisten we dat er geen behandelingen meer mogelijk waren. Je wereld stort in. Je weet dat diegene van wie je zoveel houdt de strijd niet kan winnen en dat geeft een onbeschrijflijk machteloos gevoel. Na zijn dood had ik het idee dat ook ikzelf niet meer verder kon gaan, niet zonder Freek. Dat kon gewoon niet. Maar de werkelijkheid is dat het leven verder gaat. Dag 1, dag 2, maand 1 enzovoorts. Ik besloot , nuchter als ik ben, en met veel ondersteuning van mijn kinderen, om direct door te gaan en niet de rest van mijn leven thuis achter de geraniums te blijven zitten. Liever de geraniums kapot dan ikzelf! In het begin was niets meer leuk, maar op een bepaald moment zag ik toch de bloemen weer bloeien als ik naar buiten keek! Elk volgend jaar na Freek’s overlijden staat in mijn geheugen gegrift. Het derde en vijfde jaar waren vreselijk, het vierde jaar viel mee..... Ook denk ik nu veel meer in termen van: dat was vóór de dood van Freek en dat erna. Kleding die ik al had en kleding die ik daarna gekocht heb. Op mijn eigen manier heb ik zijn overlijden een plek weten te geven. Niemand hoeft mij zielig of verdrietig te vinden, want zo zie ik mijzelf niet. De laatste tien jaar van mijn leven hebben mij wel tot een geharde vrouw gemaakt. Een van mijn dochters heeft een hersentumor en een kind van mijn andere dochter is meervoudig gehandicapt. Dat is zeer moeilijk te aanvaarden. Je kunt wel helpen en aandacht geven, maar beter wordt het helaas nooit. Je blijft, tegen beter weten in, hopen op herstel.Eigenlijk heb ik Freek nu nog veel meer nodig dan vroeger. Toch blijf ik positief in het leven staan. Het glas is halfvol, niet halfleeg. Ook als het tegenzit kun je lichtpuntjes ontdekken”. Hoe ben je bij de organisatie van Muntendam betrokken geraakt? “Toen we in Muntendam gingen wonen bleek dat er eind oktober, begin november steeds een kapellentreffen georganiseerd werd. Freek en ik vonden dat allebei wel gezellig en elk jaar waren van de partij. In 1977 is Freek gevraagd om als vrijwilliger mee te helpen. Dat leidde er vervolgens toe dat hij begin jaren tachtig voorzitter van de stichting is geworden die het evenement organiseert, de stichting RAC. Zelf ben ik 1980 voor de eerste keer gevraagd om het blaaskapellenconcours te presenteren. Wiebo Gruben was en is de man van het eerste uur. In 2010 hoop ik voor de 30e keer als presentatrice aanwezig zijn. Eén keertje heb ik verstek moeten laten gaan, in 2004, want toen ik was gevallen en lag ik in het ziekenhuis. Toch wilde ik presenteren. Ik was bijna met bed en al het ziekenhuis uitgestrompeld, maar mevrouw Kalk heeft toen toch moeten toegeven dat dat niet mogelijk was…..Ik heb toen heel veel positieve reacties gekregen. De mensen in de zaal, zo hoorde ik later, zeiden: “Waar is mevrouw Kalk, waar is Caty?” De sfeer was anders zonder mij, zo vertelde men, toch heeft Jan Smid, de huidige voorzitter van de organisatie, mij op een uitstekende manier vervangen. Als presentatrice ben je toch min of meer gastvrouw en dan moet je iets kunnen uitstralen. Vóór het evenement ben ik altijd nog wel wat nerveus, al zal ik dat niet laten merken, maar als het eenmaal draait, dan vind ik het altijd veel te snel voorbij gaan. Het is heerlijk om te doen”. ![]() Welke eisen stel jij aan jezelf als presentatrice? “Zowel in Muntendam als bij andere evenementen waar ik presenteer, bereid ik mij voor door bijvoorbeeld te weten welke nummers gespeeld worden. Vervolgens verdiep ik mij in die nummers zodat ik weet welk thema elk nummer heeft. En bij buitenlandse titels, met name bij Tsjechische nummers, zorg ik ervoor dat de uitspraak juist is. Ik vind het verschrikkelijk als Tsjechische titels verkeerd uitgesproken worden. Het Duits is iets gemakkelijker, maar ook dat dient goed uitgesproken te worden. Als ik meer wil weten over bepaalde nummers ga ik vaak zoeken op het internet. Dan vind je altijd wel iets. Laatst heb ik, bij het Senioren Orkest Groningen het nummer Potter Point aangekondigd. Dat nummer handelt over twee jonge muzikanten van een muziekvereniging uit Gelderland die naar Australië reizen en genieten van de mooie cultuur en natuur. Ook gaan ze naar Potter Point, een ruige plek aan zee. Ze vallen in de woeste golven en worstelen om te overleven, doch helaas redt één van de jongens het niet. Hij verliest de strijd tegen het water. Groot verdriet is het gevolg, bij de muziekcollega’s en zeker bij de ouders. In de muziek kun je al die verschillende gebeurtenissen terughoren in het karakter van de muziek. Prachtig. Het sprak mij zeer aan, maar ook omdat ik weet welk verhaal de muziek vertelt. Zou je dat niet weten, dan is het minder intens. En daarom vind ik het belangrijk te weten waarover de muziek gaat, wat de componist met een nummer bedoeld heeft”. Als je nog eens twintig zou zijn, wat zou je dan doen? “Dan zou ik meteen een blaasinstrument leren bespelen. In mijn jeugd kon dat niet, want het blaasinstrument dat ik graag wilde bespelen, saxofoon, was niet vrouwelijk genoeg. Tenminste, dat was de mening van mijn moeder. Accordeon, mandoline en blokfluit, dat mocht, maar saxofoon, nee, dat kon echt niet. Mijn broer mocht wel trompet leren spelen, maar ik kon maar beter lid worden van het kerkkoor, en zo geschiedde”. Wat zou jij, in het algemeen, blaaskapellen adviseren om meer in the picture te komen? “Persoonlijk denk ik dat her en der de PR verbeterd kan worden. Daarvoor zou er in elke kapel een commissie benoemd kunnen worden die flink aan de weg timmert. Denk aan een leuke website of het maken van een aansprekende folder met algemene info. Om evenementen te promoten kunnen flyers gemaakt worden. Die zijn er natuurlijk al, maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat deze er niet altijd even uitnodigend uitzien; daar zou wat meer creatieve aandacht aan besteed mogen worden. Bij die evenementen kunnen entreekaartjes gebruikt worden, in de vorm van een visitekaartje, met een mooie foto.Bovendien zou ik proberen contacten te leggen met schouwburgen en theaters om een concert te geven. Ik ben ervan overtuigd dat je als je dat goed aanpakt, je best een publiek van 300 mensen zou kunnen bereiken. Daarmee wil ik niet zeggen dat optreden voor 25 mensen minder interessant is. Integendeel, dat zou niets mogen uitmaken.Weet je wat ook nog verbeterd kan worden? Dat die mannen niet met volle broekzakken op het podium plaatsnemen! Ze nemen werkelijk van alles mee. Nog een verbeterpunt: de juiste kleur sokken dragen”. Caty, in november 2009 vond het Blaaskapellenconcours plaats op één dag. Voorheen nam het evenement twee dagen in beslag. Wat was daarvan de oorzaak? “Deze vraag had ik verwacht. Allereerst wil ik opmerken dat de volledige organisatie van Muntendam het natuurlijk jammer vond dat we dit jaar “slechts” 1 dag konden programmeren, vanwege de verminderde belangstelling. Die ene dag is prachtig, in een uitstekende sfeer én succesvol verlopen, maar uiteraard hadden we liever meer deelnemende kapellen gehad. Volgend jaar beter, we geven niet op, absoluut niet.Persoonlijk denk ik dat er twee hoofdredenen zijn, namelijk de recessie en het feit dat kapellen wellicht toch, algemeen gesproken, een beetje concoursmoe zijn. Dat laatste heeft deels te maken met het blaaskapellenconcours van 2008. Tijdens dat concoursjaar is er zowel vanuit de kapellen als het aanwezige publiek forse kritiek geuit op de jurysamenstelling en de wijze van jureren. De puntentoekenning op de twee dagen gaf menige kapel, en bezoeker, aanleiding om te veronderstellen dat er niet met gelijke maten gemeten werd. Een paar kapellen hebben vervolgens te kennen gegeven dat zij in 2009, uit onvrede hiermee, niet meer zouden deelnemen. En dus waren er dit jaar minder aanmeldingen.De organisatie heeft dat als bijzonder spijtig ervaren, maar stond en staat voor een groot deel machteloos. De samenstelling en werkwijze van de jury is namelijk niet een aangelegenheid die door onze stichting geregeld wordt. Wij zorgen wél voor de accommodatie, de organisatie enzovoorts, maar de jurering wordt geregeld door de KNFM. We hopen dat kapellen zich hiervan bewust zijn en ondanks de teleurstelling van 2008 ons evenement toch een warm hart blijven toedragen. Gelukkig bleek dit al uit de positieve uitlatingen van kapellen en het ruim aanwezige publiek. Positief als we zijn gaan we daarom ervan uit dat we in 2010 als vanouds een tweedaags evenement kunnen organiseren. Graag doe ik dan ook een moreel appèl op de kapellen die in 2008 niet tevreden waren om terug te keren naar Muntendam. Samen moeten we dit mooie evenement in stand houden, ook al is het 2008 één keertje niet helemaal naar wens verlopen. Een andere, reeds langer bestaande reden voor de verminderde belangstelling is de reisafstand naar Muntendam. Voor de kapellen onder de grote rivieren is het een behoorlijk eindje rijden. Dat klopt, maar persoonlijk vind ik dat dit niet overdreven moet worden. Niet zeuren, gewoon meedoen, svp! Wij Noorderlingen bezoeken geregeld evenementen in het Zuiden. En wat is in ons kikkerlandje nou een grote reisafstand?” ![]() Als het niet meer zou lukken om voldoende kapellen te vinden voor een tweedaags concours, is het dan een optie om één van de twee dagen een “gewoon” blaaskapellenfestival te organiseren, waarbij vier of vijf kapellen een mooi optreden verzorgen, zonder jurering? Dan blijft Muntendam toch een tweedaags evenement. “Mochten er inderdaad onvoldoende kapellen zijn die zich inschrijven voor het concours, dan zou ik persoonlijk wel openstaan voor deze alternatieve invulling. Bovendien zou je dan ook andere kapellen kunnen bereiken, namelijk kapellen die niet concoursminded zijn. Maar niet ik, doch het bestuur van de Stichting RAC moet dit beoordelen en bepalen!. Mijn voorkeur gaat echter uit naar twee concoursdagen. De toegevoegde waarde van een concours is toch dat je beoordeeld wordt door deskundigen. De jury maakt een verslag waaruit je duidelijk kunt opmaken waar je staat, hoe het met je muzikale niveau gesteld is. Vervolgens kun je dat juryrapport gebruiken om te werken aan eventuele verbeterpunten”. In vroeger jaren was de Tsjechische kapel Prespolanka meerdere keren te gast in Muntendam. Dat gaf het geheel een extra dimensie, toegevoegde waarde. Waarom is dat nu niet meer? “Dat is nu niet meer haalbaar, met name financieel”. Financieel zal het niet gemakkelijk zijn, maar andere organisaties slagen er wel in Tsjechische kapellen naar Nederland te halen. Het kan dus wel.... “Dat klopt, maar andere organisaties hebben dikwijls sponsoren, en die hebben wij niet of in veel mindere mate. Zou het wel financieel haalbaar zijn, dan juich ik het van harte toe om dit weer in ere te herstellen, natuurlijk. Prespolanka is in de periode 1989-2001 telkens naar Muntendam gereisd. In de gloriejaren waren er zo’n duizend bezoekers. In die periode is er zo’n grote vriendschapsband met Prespolanka gegroeid dat er zelfs een kind naar mij is vernoemd. Het kind van de zus van dirigent heet Katka. Voor mij zijn de muzikanten van Prespolanka bijna als familie”. Is de organisatie van Muntendam voor de toekomst gewaarborgd? Zijn er voldoende bestuursleden om het evenement te blijven organiseren? “Vrijwilligers zijn er gelukkig voldoende, maar als je spreekt over mensen die de huidige bestuursleden zouden willen opvolgen of versterken, mocht dat nodig zijn, dan wordt het stil en dat is een verontrustende situatie. Wiebo Gruben is al sinds jaar en dag secretaris en Jan Smid voorzitter, maar beiden behoren, net als ik, niet meer tot de jongste generaties. De zeven kruisjes komen langzaam maar zeker in beeld. Kortom, organisatorisch en bestuurskundig talent is meer dan welkom”. Even een iets gewonere vraag: waar kun jij je aan ergeren? “Aan mensen die langzaam rijden terwijl ik erachter zit met mijn auto. Wat pittiger rijden vind ik wel prettig. Daarnaast kon ik mij voorheen ergeren aan negatief ingestelde mensen. Vroeger probeerde ik die mensen min of meer te veranderen, maar gaandeweg ben ik tot de conclusie gekomen dat mij dat niet lukt. En dus heb ik nu zoiets van: jij bent negatief ingesteld, oké, dat is jouw probleem, maar het is niet mijn pakkie an. Je doet maar. Punt. Zo probeer ik althans.Algemeen gesproken erger ik mij niet vaak en al helemaal niet lang. Dat is snel voorbij.De criminaliteit en de verslechterde mentaliteit van een aantal mensen, met name jongeren, ook in Muntendam, storen mij eveneens. Ik zal ’s avonds nooit door het dorp lopen. Ik pak altijd de auto, dan voel ik me veiliger. Er gebeuren simpelweg toch dingen die niet in de haak zijn”. In hoeverre hebben blaaskapellen volgens jou behoefte aan ondersteuning van buitenaf, bijvoorbeeld door een overkoepelend orgaan, zoals een muziekbond? “Ondersteuning in de vorm van workshops, met goede docenten, worden volgens mij wel gewaardeerd. Voor het overige heb ik het idee dat blaaskapellen er niet om staan te springen geholpen te worden. Men gaat zijn eigen weg en dat vindt men wel goed zo.Een muziekbond is nodig om bijvoorbeeld een juryteam samen te stellen, het repertorium samen te stellen enzovoorts. Dat is een hele klus, zo blijkt in de praktijk”. Welke buitenlandse kapellen behoren tot jouw favorieten? “Dan denk ik allereerst aan Sohajka. Ik weet nog dat Sohajka de allereerste keer naar Nederland kwam op verzoek van Frans Melles, ter gelegenheid van het feit dat hij zoveel jaar bij de melkfabriek werkte. Freek en ik waren erbij. Vojtech Duchácek, de muzikale leider, informeerde een paar jaar later bij Freek of hij geïnteresseerd was om voor ons land “manager” te worden van Sohajka. Freek vond dat hij daar de juiste contacten niet voor had en bovendien had hij het nog te druk met zijn baan. Gelukkig hielp Henk Bazuin uit Rolde Vojtech uit de brand. Henk doet dit inderdaad nu nog steeds en op een voortreffelijke manier. Als Sohajka in Nederland een optreden verzorgt, meestal in Drenthe of Friesland, en dat hebben ze in 18 jaar al meer dan 30 keer gedaan, dan mag ik de presentatie verzorgen en dat doe ik met veel plezier.Andere kapellen die me aanspreken zijn Tufaranka, Mistrinanka, Bojané en zo kan ik er nog wel een aantal opnoemen. Klassieke muziek vind ik ook mooi, evenals muziek van André Rieu”. Welke hobbies heb je naast de muziek? “Bij de Plattelandsvrouwen van Muntendam fungeer ik als voorzitter. We organiseren regelmatig lezingen, voor en door vrouwen - maar ook door mannen -, over de meest uiteenlopende thema’s. Daarnaast ben ik voorzitter van de Algemene Nederlandse Bond van Ouderen en lid van de SAM, de Stichting Archief Muntendam. Bovendien quilt ik graag. Quilten zou je kunnen omschrijven als knutselen met stofjes. Je haalt dan een lap stof helemaal uit elkaar en daarna ga je een soort schilderij maken van allemaal kleine stukjes. Een keer per jaar ga ik naar een quiltmidweek van het Quiltersgilde. We zijn dan met zo’n 60 vrouwen uit het hele land, krijgen les en maken dan allemaal ons eigen quilt naar een eigen ontwerp. Dat is heel iets anders dan een blaaskapel presenteren, ook mooi en heel ontspannend”. Wat is jouw favoriete vakantieland? “Tsjechië, absoluut. De laatste vijf jaar ben ik er minder geweest dan voorheen, maar ik blijf het een geweldig land vinden. De muziekfestivals vind ik helemaal te gek. En natuurlijk het weerzien met de leden van Prespolanka. Dat is een vriendschap voor het leven”. Caty, hoe kan ik jou bedanken voor dit zeer bijzondere interview? “Geen dank hoor, ik vond het gezellig. Kom volgend jaar maar weer eens naar Muntendam, naar het concours op 6 en 7 november. Afgesproken?” |
| < Vorige | Volgende > |
|---|

















